Zonder wrijving geen vooruitgang

Een goede relatie met het bedrijfsleven is van groot belang voor de RUG en dus wordt er meer samengewerkt. Prima, vindt hoogleraar technische natuurkunde Jeff Th. M. De Hosson. Sterker nog, de universiteit mag er wel een tandje bij doen en in een hogere versnelling, betoogt hij, ‘Wat ik juist mis, is veel meer passie en ambitie.’

coca-cola-uni

Coca Cola-uni

Rector Elmer Sterken wil de banden met het bedrijfsleven aanhalen, zo betoogde hij tijdens de opening van het academisch jaar.

‘De RUG mag geen Coca Cola-universiteit worden’ , schreven Sandra Beckerman en Daan Brandenbarg in een reactie.

Hoogleraar technische natuurkunde Jeff Th. M. De Hosson vindt daarentegen dat er nog wel een tandje bij kan.

‘Knip te directe banden met het bedrijfsleven door. Kies voor meer langdurig, fundamenteel en onafhankelijk onderzoek op alle faculteiten. De RUG mag geen Coca Cola-universiteit worden’, schreven Sandra Beckerman en Daan Brandenbarg eerder.

Wat een oude sok is dit, de Coca Cola-universiteit.

Het is nog niet zo lang geleden dat een universiteit een centrum was waar een kleine groep geleerden vrijwel ongestoord hun wetenschap beoefenden en hun kennis overdroegen aan een zeer beperkte kring van studenten.

Ik ben zelf benoemd tot hoogleraar in de technische natuurkunde (1977). Dat was in de uitlopers van die periode, waarin de bevolking van een doorsnee laboratorium bestond uit één professor (bij voorkeur in het zwart gekleed en met duidelijke symptomen van verstrooiing), omringd door enkele zeer slecht betaalde assistenten die vol bewondering naar hem opzagen, een instrumentmaker en één werkster.

De universitaire gemeenschap leefde in die tijd in een teruggetrokken en ietwat wereldvreemde sfeer, en de universiteit was niet echt geïnteresseerd in wat zich in rest van de maatschappij afspeelde. De wisselwerking en het contact tussen de universiteit en de industrie was gering en dat was onder de toenmalige, vrij statische omstandigheden aanvaardbaar.

Dynamischer

In de loop van de jaren is dat wel veranderd. De maatschappij is dynamischer geworden (to put it mildly) als gevolg van onder meer (maar niet uitsluitend) de snelle ontwikkelingen van de natuurwetenschappen en de toepassingen daarvan. De vooruitgang heeft geleid tot het ontstaan van sterke bindingen en wisselwerkingen in een soort (onregelmatige) driehoeksverhouding tussen wetenschap, industrie/techniek en maatschappij.

In deze vooruitgang heeft de universiteit, althans op het terrein van de natuurwetenschappen, een aanzienlijk deel van het eigendomsrecht op de wetenschap moeten prijsgeven aan grote industriële, nationale en internationale laboratoria. De monopoliepositie in de wetenschap hebben we, en dus ook de RUG, daarmee voorgoed verloren.

Als gevolg van het gewijzigde karakter van de samenleving is de vanzelfsprekende rol die de universiteit van Groningen daarin speelt ingrijpend veranderd; haar taak is moeilijker en meeromvattend geworden. Het is gewoon onzin dat ‘fundamentele wetenschap’ alleen de universiteiten toebehoort.

In zichzelf gekeerd

De oude RUG was vroeger in zichzelf gekeerd en van de moderne universiteit verwacht men, en mag men ook verwachten, dat zij naar buiten is gericht en openstaat voor de nieuwe eisen die de maatschappij stelt.

Het zal de UK-lezer bekend zijn dat tegenwoordig van de universiteiten verwacht wordt dat zij een prominente rol spelen in onderwerpen als ‘kenniseconomie’, ‘innovatieplatform’ en ‘topsectoren’. Ofschoon ik ook wel eens het gevoel heb dat het bij de overheid (sommige Kamerleden denken dat research direct money oplevert, maar het kost juist eerst money) meer om de ‘economie’ gaat dan om ‘kennis’.

Dit proces van aanpassing van de rol die de universiteit heeft te spelen, was en is nog steeds een moeizaam proces met veel energiedissipatie door ‘wrijving’. Maar mijn stelling is: zonder wrijving geen vooruitgang.

‘Not done’

Ik kan me herinneren dat ik in 1978 ter verantwoording werd geroepen in de faculteitsraad omdat onze studenten technische natuurkunde een verplichte industriële stage liepen tijdens hun opleiding tot natuurkundig ingenieur. Dat was not done. Contacten met de industrie moesten vermeden worden, want we waren er immers voor de zuivere wetenschap.

Ik kreeg er danig van langs, maar heb er geen blijvend letsel aan overgehouden. Sterker nog,
de industriële stage is sinds de zeventiger jaren een verplicht onderdeel van het curriculum gebleven!

‘De Coca Cola-universiteit’ en ‘Knip te directe banden met het bedrijfsleven door’… Het is tekenend voor de koudwatervrees voor interactie met de buitenwereld, met dezelfde blablabla over ‘fundamentele wetenschapsbeoefening‘ van veertig jaar geleden. Dat zit allemaal in mijn oude sok. Mijn advies: zorg in de interacties met de industrie dat jezelf in de driver seat blijf zitten.

Veel te bescheiden?

De aansporing van de rector magnificus tot interactie met de industrie was eigenlijk uiterst bescheiden, een prikkelende aanmoediging en zeer voorzichtig, zoals een rector
betaamt. Niets om je kwaad over te maken in de trant van: ‘Wij zijn niet teleurgesteld, wij zijn boos, heel erg boos’.

Ik wil juist veel meer passie en ambitie zien. Ik zou nog veel harder hebben geapplaudisseerd als de rector bij de opening van het nieuwe academische jaar had verklapt
dat de RUG samen met Fraunhofer-Gesellschaft, Max-Planck Gesellschaft en TNO in het volgende academiejaar een ultra-modern toegepast-natuurwetenschappelijk instituut op de Zernike Campus gaat bouwen als concrete invulling van de Coca Cola-universiteit: Taste the feeling.

Wachten maar weer tot de volgende opening.

Jeff Th.M. De Hosson, hoogleraar technische natuurkunde

 

 

English

19 September 2016 | 20-9-2016, 18:01