advertentie

 

Zeikerd

Sommige mensen zijn zeikerds. Maar die heb je juist nodig om bepaalde zaken in het onderwijs aan de kaak te stellen, meent columnist Gerrit Breeuwsma (die zelf ook best kan zeiken, geeft hij toe).
Door Gerrit Breeuwsma

Een tijdje geleden las ik een aardig boek Het bezwaar van de leraar. Hoe slecht beleid de Nederlandse school vernielt van Ton van Haperen. Nou ja, aardig. Het gaat over de teloorgang van het middelbaar onderwijs en in het bijzonder van de traditionele vakdocent en dat is geen vrolijk verhaal.

De auteur is zelf zo’n traditionele (vwo-)docent die houdt van zijn vak (economie), enige beroepseer ontleent aan zijn vakkennis en bovendien hecht aan de autonomie en professionaliteit die bij zijn rol als leraar hoort. Prima kerel, zou je zo denken.

Het respect voor vakkennis, schrijft Van Haperen, maar ook van de autonomie en professionaliteit van de docent, zijn in de loop der jaren steeds meer ondermijnd. Van bovenaf door beleidsmakers en managers, met een stortvloed aan onderwijsvernieuwingen. Van onderop door ouders die de leraar als een lastige sta-in-de-weg zien voor het geluk van hun kroost.

De status van het beroep leraar is navenant gekelderd; zijn rol in de klas is gereduceerd tot coach of instructeur. Iemand die ‘toezicht houdt op het leerproces’ en zich bekommert om pedagogisch-didactische inzichten en een scala aan leerstoornissen. Hoezo, vakkennis?

Van Haperen typeert dit nieuwe type leraar als een ‘kenniskabouter die alleen maar instructie geeft, maar zelf niet zoveel weet’. ‘Daar luistert geen enkele puber naar’, voegt hij er aan toe en dat is natuurlijk het echte drama, want je zou het bijna vergeten: kinderen gaan naar school om iets te leren.

Helaas leren ze niet zoveel en weten ze nog minder. Leerlingen als ‘regisseur van hun eigen leerproces’ worden er vooral bedreven in om bij minimale inspanning een maximaal resultaat te behalen. Dat wil zeggen, ze leren hoe ze toetsen moeten maken. De Nederlandse leerling is ontspannen en aardig, aldus van Haperen, ‘maar ook wat lui en onwetend’.

Ik denk dat je juist zeikerds nodig hebt om dit soort boeken te schrijven

Kennis heeft de Nederlandse leerling dus niet, maar dat weerhoudt hem of haar er niet van om naar de universiteit te gaan, waar een op de vier studenten een burn-out krijgt. Niet omdat ze het zo razend druk hebben op die universiteit, maar domweg omdat ze te weinig geleerd hebben op de middelbare school, aldus van Haperen.

Ik vond het dus een aardig boek. Maar toen ik er met mensen uit het onderwijs over sprak, was niet iedereen enthousiast. ‘Hij zegt dit al twintig jaar en er is niets veranderd’, wist iemand, maar dat leek me niet een sterk argument tegen Van Haperen.

Een ander had de auteur een keer ontmoet op een symposium en vond hem ‘een zeikerd en een ijdeltuit’. Ik geloof het graag (de ijdelheid schemert ook door de pagina’s van het boek), maar ik denk eerlijk gezegd dat je juist zeikerds nodig hebt om dit soort boeken te schrijven.

Zo’n boek zou er ook over het universitaire onderwijs geschreven moeten worden, dacht ik toen ik het uit had. Ik heb zelfs even overwogen om me er aan te wagen (ik ben er zeikerd genoeg voor), maar dat hoeft niet meer, want het boek is er al: Genadezesjes. Over de moderne universiteit van Eelco Runia.

Laat je niets wijs maken door hen die Runia al op voorhand een zeikerd vinden. Want het is een belangrijk boek, met veel zinnige kritiek. ‘Iedereen met hart voor het onderwijs zou het moeten lezen’, zo werd Van Haperens boek aangeprezen en dat geldt ook voor Genadezesjes.

Ik zou zeggen, besteed je vakantie goed, stop het boek in je koffer en lees het aandachtig. In het bijzonder aanbevolen voor het nieuwe college van bestuur. Ook als we ons de kritiek maar een beetje ter harte nemen, kunnen we er alleen maar beter van worden.

25 June 2019 | 25-6-2019, 14:48
advertentie