Marijn Molema onderzoekt Drentse dorpsgeschiedenis

Foto FSP/Klaas de Jong

Marijn Molema onderzoekt Drentse dorpsgeschiedenis

‘Wie vooruit wil, moet ook terugkijken’

Historicus Marijn Molema, bijzonder hoogleraar regionale vitaliteit en dynamiek, wil het ‘softe imago’ van regiogeschiedenis afstoffen en met studenten aan de slag om de toekomstplannen van dorpen in Midden-Drenthe een impuls te geven. Vijf vragen over zijn bijzondere pilot.
27 januari om 10:36 uur.
Laatst gewijzigd op 1 februari 2021
om 15:01 uur.
januari 27 at 10:36 AM.
Last modified on februari 1, 2021
at 15:01 PM.


Door Giulia Fabrizi

27 januari om 10:36 uur.
Laatst gewijzigd op 1 februari 2021
om 15:01 uur.

By Giulia Fabrizi

januari 27 at 10:36 AM.
Last modified on februari 1, 2021
at 15:01 PM.

Giulia Fabrizi

Nieuwscoördinator
Volledig bio
News coordinator
Full bio

Door de geschiedenis te onderzoeken, wil je de regio helpen anders naar de toekomst te kijken. Kun je dat verder toelichten?

‘Wat ik hoop te doen is de historische wetenschap te verbinden met de toekomst van met name plattelandsgemeenten en dorpen daarbinnen. Daarvoor heb ik een project opgezet dat 5 februari begint: Tijdreizen. Het idee is dat als een netwerk – bijvoorbeeld binnen een dorp een netwerk van bewoners – bezig is met de toekomst van het dorp, ze naar twee niveaus kijken: hoe staat het er nu voor en waar willen we naartoe? Mijn claim is: in dat vooruitkijken, moet je ook op gezette tijden terugkijken.’

En heel concreet wil je dit vanaf volgende week toepassen op een aantal noordelijke dorpen, nietwaar?

‘Ja, we zijn afgelopen maand bezig geweest met het aanleggen van een netwerk in Midden-Drenthe. Vooral in de dorpen Hooghalen en Wijster. Die dorpen zijn bezig met het formuleren van een nieuwe toekomstvisie en daar willen we een aantal keer aanschuiven om het verhaal uit de geschiedenis te vertellen. Een verhaal dat inspireert, maar vooral ook inzicht en bewustzijn creëert bij de toekomstplanners. Enerzijds door te laten zien wat uit het verleden uitgegroeid is tot unieke eigenschappen, en anderzijds door te laten zien wat in de geschiedenis ervan de belemmeringen zijn geweest, waar een gebied mee geworsteld heeft. Een soort sterkte/zwakte-analyse, maar dan wat betreft de afgelopen zeventig jaar.’

En je wilt studenten inzetten om de dorpen die blik in het verleden te geven?

‘Dat klopt. Ik studeerde zelf ook aan de RUG en wat mij altijd is bijgebleven is de invloed van historicus Frank Ankersmit. Hij maakte altijd een verschil tussen geschiedvorsing en geschiedschrijving. Dit is een themacollege voor tweedejaarsstudenten en zij gaan mij helpen bij de geschiedvorsing, het onderzoek dus. Zij krijgen een primaire onderzoeksbron om te bestuderen en leveren vervolgens hun onderzoek bij mij in. Dan heb ik op een gegeven moment twintig onderzoeken, waaruit ik in mei het verhaal van de specifieke dorpen ga vertellen.’

De studenten mogen dus figuurlijk met de poten in de klei staan. Aan wat voor bronnen moeten we denken?

‘Bijvoorbeeld aan de volkstellingen. Dat zijn grote databestanden waar per dorp en per gemeente staat hoeveel mensen er geboren worden, of vertrekken. Daaruit kun je opmaken wat het migratiesaldo is. Maar je kunt ook denken aan rapportages uit de jaren 1950/1960, wat een heel mooi tijdsbeeld geeft van hoe er toen met de ontwikkeling van het gebied is omgegaan. Dat zijn bronnen uit het recente verleden, die niet iedereen kent, en waarmee je kunt vertellen hoe er toen met de toekomst van die plek is omgegaan.’

Dit onderzoek begint nu als een pilot. Wat hoop je dat eruit voortkomt?

‘Mijn ambitie is wel een beetje om de regionale geschiedenis een impuls te geven. Ze hebben nu misschien een wat soft imago, maar ik denk dat ze in de vuurlinie zitten van regionale gebiedsontwikkeling. Het van onderop herorganiseren van gebieden is echt van nu, want tot de jaren 1980 werden plannen nog door de Rijksoverheid bedacht. Dat vraagt van dorp en gemeente een proactieve houding, waar je de historische discipline nog aan kunt koppelen. Als we de dorpen nieuwe inzichten kunnen geven, dan gaan we daarna kijken of we Tijdreizen kunnen opschalen.’