Top

Net als onze rector magnificus en zijn collega’s van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde heb ik voorafgaand aan de winterspelen een voorspelling gedaan over het aantal medailles dat we in Pyeongchang gaan halen.
Door Gerrit Breeuwsma

Ik gebruik trouwens geen model, zoals de economen, maar heb gewoon alle schaatsnummers opgeschreven en een naam gezet bij brons, zilver en goud.

Ik kwam tot dertien medailles.

Ik heb me overigens beperkt tot het langebaanschaatsen, want daar verbeeld ik mij een beetje verstand van te hebben. Van shorttrack snap ik niet veel. Ik vind het een rommeltje en winnen lijkt mij vaak dom geluk.

Jaren geleden bladerde ik tijdens een weekendje Terschelling door een Leeuwarder Courant en bleef haken bij een artikel met de kop: ‘Breeuwsma neemt de tijd voor de stap naar de top’. Even dacht ik dat het over mij ging, want ook bij mij kwam de roem niet bepaald met rasse schreden. Het bleek echter op mijn shorttrackende naamgenoot te slaan.

Ik geloof niet dat we directe familie zijn, maar het heeft wel wat als je naam op tv voorbij komt, al word ik niet per se vrolijk als ik hoor dat Breeuwsma weer eens niet door is naar de halve finale. De krantenkop heeft jaren bij ons in de keuken gehangen en in ons gezin is het een gevleugelde uitspraak als het eens tegen zit.

Bij het schaatsen heeft de top er voor mij nooit in gezeten, al heb ik me in het verleden heel wat keren de opvolger van Ard Schenk gedroomd. Dat is misschien ook wel het mooie van schaatsen, vooral op natuurijs: je kunt er geweldig bij weg dromen. Verder is er maar weinig mooier dan op een perfecte winterdag over het Heegermeer richting de Fluessen te schaatsen.

De winter dat ik mijn vrouw leerde kennen, hebben we veel op het ijs gestaan. Lange tochten gemaakt en gezoend met kloofjes in de lippen en de smaak van chocolademelk. Op weg naar Stavoren zaten we bij de brug van Warns uit te blazen en vroegen een passant om een foto van ons te maken. Hij drukte af en gaf ons het toestel terug: ‘toen alles nog goed was’, zei hij ironisch. Hoewel iedereen weet dat je beter niet op ijs kunt bouwen, denk ik dat we die winter een stevig fundament hebben gelegd.

Ik houd niet echt van het gejakker op de ijsbaan en met al die slappe winters sta ik steeds minder op het ijs. Mijn vrouw schaatst wel drie keer per week en jaagt er dan honderd rondjes doorheen met een groep fanatieke mannen op leeftijd. Als ze thuis komt, moet ik steevast aan haar billen voelen en zeggen dat ze ‘echt een stevige schaatskont’ krijgt; daarna gaan we aan de chocolademelk.

Ze heeft één keer meegedaan aan een wedstrijd. Ik stond met hoge verwachtingen langs de ijsbaan van Kardinge. Het werd een deceptie. Na een beroerde start, vergat ze na de eerste bocht te wisselen. Het heeft het nieuws niet gehaald, maar wij begrepen wel dat het ook voor haar te laat was om de stap naar de top te maken.

Toen begon onze oudste zoon een aantal jaren geleden ineens met schaatsen. Na een half jaartje IJVG wist hij zich in de schaatsopleiding van Iskate te rijden en een week geleden stond hij op zijn eerste NK allround junioren in Enschede. Wij mochten mee om het geheel te financieren, zijn fiets en tacx naar de binnenbaan te slepen, enzovoort. De enige wederdienst die we vragen, is dat hij bij het inrijden eventjes minzaam naar zijn ‘hoofdsponsors’ knikt. Het kan er soms maar met moeite vanaf, want topsport is een ernstige zaak.

In Korea zagen wij, net als heel schaatsminnend Nederland, Patrick Roest tussen zijn ouders zitten, terwijl hij in spanning het verloop van de 1500 meter afwachtte, waarna de ontlading volgde en hij zeker was van zilver. Mijn vrouw en ik hoefden elkaar maar even aan te kijken om te weten dat wij zo’n moment ook wel zouden willen meemaken.

In Enschede eindigde onze zoon in de onderste regionen van het klassement, maar wij lieten ons niet ontmoedigen. Want, zeiden we op de terugweg in de auto: Breeuwsma neemt de tijd voor de stap naar de top.

20 February 2018 | 21-2-2018, 15:48