Stemmen

UKrant-columnist Gerrit Breeuwmsa herinnert zich nog dat hij voor het eerst mocht stemmen. ‘Eindelijk kon ik duidelijk maken hoe ik over de wereld dacht en hoe het allemaal beter kon.’ Maar die wereld bleek toch wel wat ingewikkelder in elkaar te zitten.
Door Gerrit Breeuwsma

Aan het begin van het college vroeg ik mijn eerstejaarsstudenten psychologie wie van plan was deze week te gaan stemmen. Zonder aarzelen gingen vrijwel alle vingers omhoog.

Op de vraag wie niet ging stemmen, kreeg ik reactie van slechts één studente. Maar toen ik haar vroeg waarom niet (ergens verwachtte ik een vlammend betoog tegen de verrotte structuren van een geperverteerde schijndemocratie), bleek dat door een adreswisseling de stemkaart niet op de juiste plek was aangekomen.

Kennelijk is er onder de huidige psychologiestudenten voldoende vertrouwen in de democratie om zelfs voor iets saais als de Eerste Kamer het stemhokje in te duiken.

Ik vond dat eerlijk gezegd nogal verrassend. Een week eerder had ik namelijk gevraagd wie van hen zichzelf als volwassen beschouwt en toen kreeg ik maar een handjevol aarzelende reacties; de meesten beoordeelden zichzelf niet als volwassen.

Daar keek ik dan weer niet van op, want uit onderzoek blijkt dat voor veel jonge mensen het moment waarop ze zich ondubbelzinnig volwassen voelen steeds meer is opgeschoven. Er is een onderzoek waarin de gemiddelde leeftijd voor vrouwen op 30 jaar en voor mannen maar liefst op 42 jaar ligt! Nog geen eeuwige jeugd, maar het komt in de buurt.

In Nederland zijn we voor de wet met achttien jaar volwassen, het moment waarvan het Burgerlijk Wetboek (art 1:233) zegt: ‘Op die leeftijd is men bekwaam tot alle handelingen van het burgerlijk leven’. Door te gaan stemmen bevestig je in feite je handelingsbekwaamheid en als zodanig zijn de eerstejaars dus volwassen, ook al lijken ze daar zelf niet zeker van te zijn.

Zelf herinner ik me dat ik de eerste keer stemmen wel een dingetje vond. Eindelijk kon ik duidelijk maken hoe ik over de wereld dacht en hoe het allemaal beter kon. Ik had dan ook hoge verwachtingen van de handeling die ik in het stemhokje verrichtte.

Dat die hoge verwachtingen in de praktijk zelden uitkomen, is vervolgens iets wat je al snel ontdekt, waarna het gevaar van de desillusie dreigt en je in het vervolg kiest voor de onverschilligheid of voor de radicale verwerping van de bestaande orde.

In die zin is het misschien gemakkelijker om volwassen te worden dan om het te blijven.

In een mooi boekje Waarom zou je volwassen worden? zet filosofe Susan Neiman uiteen dat de huidige samenleving het ons niet gemakkelijk maakt voor de volwassenheid te kiezen.

We verheerlijken de jeugd, terwijl we de volwassenheid associëren met het opgeven van onze jeugddromen. Maar in plaats van vol te gaan voor die dromen, laten we ons verleiden door de geneugten van de consumptiemaatschappij, die niet zozeer jong houdt, maar vooral infantiliseert.

Volwassenheid is echter een nastrevenswaardig ideaal, aldus Neiman, en ze beroept zich daarbij op de grote Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant. Jonge kinderen gaan aanvankelijk vol voor dat ideaal en zij willen dan ook zo snel mogelijk volwassen worden. Maar gaandeweg ontdekken ze dat er nogal wat schort aan de wereld van volwassenen; dat die niet is zoals hij zou moeten zijn.

Kant spreekt van de kloof tussen zijn en behoren en typeert nu de volwassenheid als het in evenwicht proberen te brengen van die beide toestanden. Dat is een opgave die principieel niet voltooid kan worden, maar wel de leidraad vormt voor je handelen, zoals je de horizon als richtpunt voor je reis neemt, zonder ooit de horizon te bereiken.

Stemmen dus.

Het was even verleidelijk om mijn studenten een stemadvies te geven, maar dat zou een ontkenning van hun prille volwassenheid zijn. In de collegezaal kon ik bovendien gemakkelijk zien dat hun horizon compleet ergens anders lag dan die van mij.

20 March 2019 | 20-3-2019, 12:43

Meest gelezen