Staking

De hoge werkdruk op de uni komt niet alleen door te weinig geld, maar ook door de academische ratrace, betoogt UKrant-columnist Casper Albers aan de vooravond van de grote onderwijsstaking. ‘We moeten elkaar weer als collega’s in plaats van concurrenten zien.’
Door Casper Albers

Vrijdag 15 maart vindt een van de grootste onderwijsstakingen in decennia plaats. De vorige echt grote onderwijsstaking was in 1982. Het eerste kabinet-Lubbers had besloten dat leraren ruim 5 procent salaris moesten inleveren. Tienduizenden leraren legden terecht een week lang het werk neer. Echt veel hielp het niet; Lubbers bleef nog twaalf jaar in het zadel.

Komende vrijdag gaan tienduizenden uit het onderwijs naar Den Haag. Vanuit basisscholen, middelbare scholen, hbo en universiteit staakt men allemaal voor hetzelfde hoofddoel: een lagere werkdruk. Daarnaast willen de basisschoolleraren graag meer salaris, de middelbareschoolleraren minder lerarentekort en de academici betere soep in de kantines.

Op het eerste gezicht klinkt werkdruk inderdaad als iets wat je met geld kunt oplossen. Neem op elke negen werknemers iemand extra aan en de werkdruk daalt met 10 procent. De financiering komt uit Den Haag, dus moeten we daar protesteren.

Wat het onderwijs betreft klopt dit ook wel, maar wat het wetenschappelijk onderzoek betreft niet. En veel van de werkdruk wordt ook juist door de onderzoekstaak ervaren. De wet is enorm terughoudend over wat ons werk inhoudt: we moeten onderzoek doen dat aan bepaalde standaarden voldoet. Die standaarden worden getoetst door commissies die met name uit academici bestaan: wij mogen ons eigen vlees keuren.

Stel, Rutte geeft ons die gevraagde 10 procent extra. Als we niet uitkijken, bedenken we ook gewoon 10 procent extra werk. Er zijn vast nog mooie mastertracks die we kunnen toevoegen en er is altijd meer onderzoek dat we kunnen doen. Dat klinkt mooi voor de universiteit (we zullen stijgen op de rankings!) maar de werkdruk verlaagt er niet door.

Ook hier helpt meer geld wel, maar alleen geld is de oplossing niet. We moeten met elkaar in gesprek over hoe hoog we onze eigen lat leggen.

Waarom geven sommige faculteiten strafpunten aan medewerkers die een artikel publiceren in een tijdschrift dat niet bij de beste 25 procent hoort? Waarom krijgt iemand pas een vast contract als zij/hij minimaal een kwart miljoen aan subsidie heeft binnengehaald? Waarom moet iedereen excelleren in lesgeven, onderzoek, managementtaken én valorisatie?

We eisen van iedereen bovengemiddelde prestaties, ondanks dat dit wiskundig gezien onmogelijk is. Dát levert bakken vol stress op.

Al deze eisen hebben weinig met de kwaliteit van de wetenschap te maken. Het is vooral een wedstrijdje waarin iedereen moet laten zien beter te zijn dan de ander. Zodra we elkaar weer als collega’s in plaats van concurrenten zien en daar ook naar handelen, zal de werkdruk al dalen.

De politiek is op z’n best indirect de oorzaak van dit soort eisen. Het bekostigingssysteem is nu dat ‘de beste’ het meeste geld krijgt, dus iedereen doet mee met de rat race. Wat dus vooral nodig is, is een andere verdeelsleutel. Daar hebben we Den Haag bij nodig, maar het kan al een heel eind budgetneutraal. En na het woord ‘budgetneutraal’ zijn politici opeens veel meer bereid mee te werken.

Laten we vrijdag dus niet alleen staken om meer geld, maar vooral om een betere besteding van het geld. En laten we hopen op beter weer dan bij de klimaatmars.

13 March 2019 | 13-3-2019, 15:22