Robot

Foto Reyer Boxem

Robot

Gerrit Breeuwsma dacht dat hij als docent onvervangbaar was. Fout, zo weet hij nu. ‘Ik blijk steeds vaker een eenvoudige waterdrager, in dienst van het netwerk.’
Door Gerrit Breeuwsma
9 december om 9:53 uur.
Laatst gewijzigd op 9 december 2020
om 9:54 uur.
december 9 at 9:53 AM.
Last modified on december 9, 2020
at 9:54 AM.

‘Staat er in 2035 een leraar voor de klas, of een robot?’ kopte een artikel in de NRC een kleine twee weken geleden. Tot voor kort zou ik die vraag zonder veel aarzelen ten gunste van de leraar hebben beantwoord.

Dat de digitalisering en robotisering steeds meer beroepen onder druk zetten, is een proces dat al enige tijd gaande is. Dat daardoor banen en beroepen verdwijnen, staat ook wel vast. Maar ik was er vrij zeker van dat de leraar daar niet toe behoorde. Wat leraren – van basisschoolonderwijzers tot universitaire docenten – doen, laat zich niet zomaar automatiseren, zonder daarmee de essentie van het leraarschap geweld aan te doen.

Dacht ik.

Inmiddels ben ik een stuk minder zeker van mijn zaak. Door corona heeft de digitalisering van het universitaire onderwijs een enorme vlucht genomen, met het gebruik van Blackboard, Zoom en Skype, online colleges en online tentamens en waar ik altijd dacht de spil te zijn in de kennisoverdracht, daar blijk ik nu steeds vaker een eenvoudige waterdrager, in dienst van het netwerk.

Neem bijvoorbeeld het tentamen. In de goeie ouwe tijd waren het vooral je studenten die tegen het tentamen opzagen. Ik moest de tentamenvragen aanleveren, nakijken en de cijfers doorgeven aan het onderwijsbureau. Een simpele routine.

Nu ben ik het die als een berg opziet tegen een tentamen en alle uren die het me kost om dat op de juiste manier aan te leveren. Ik worstel me door een enorme workflow van documenten en instructiefilmpjes, die ik na elk blok weer ben vergeten, zodat ik bij een nieuw tentamen weer van vooraf aan kan beginnen. En heb ik het tentamen dan eindelijk goed aangeleverd, zit ik ‘s ochtends om negen uur alsnog met zweet in mijn handen te hopen dat Nestor werkt.

Er zijn studenten die mijn videocolleges op halve snelheid zetten, zodat ze gemakkelijker mee kunnen schrijven

Op zo’n moment heb ik wel eens gedacht: was ik maar een robot.

Maar voor veel studenten ben ik al lang een robot. Er zijn studenten die mijn videocolleges op halve snelheid zetten, zodat ze gemakkelijker mee kunnen schrijven (er zijn steeds meer studenten die denken dat een goed collegedictaat een zo volledig mogelijke transcriptie van het college is).

Anderen schroeven de snelheid juist wat op om zo hun trage docent met wat meer vaart door het college te loodsen. Maar wel allemaal met het gevolg dat ik me tijdens een college ineens ga afvragen of ik nu te snel of te langzaam spreek of juist te veel wissel in snelheid, zodat de kijkertjes thuis me dan weer moeten vertragen dan wel versnellen.

Ach, was ik maar een robot!

Toen ik nog dacht onvervangbaar te zijn, maakte ik natuurlijk een klassieke fout. Ik ging veel te eenzijdig uit van de aanname dat een robot niet kan wat ik kan, maar zag over het hoofd dat ik wel kan wat een robot kan.

Onlangs stond ik in de Offerhauszaal voor een eerstejaarscollege waarvoor zich volgens nestor 307 studenten hadden ingeschreven. Ik telde er 18 in de zaal, wat dus betekende dat ik mijn verhaal moest houden voor een anonieme massa waarvan ik maar aannam dat die er was, maar waar ik feitelijk geen enkele zekerheid over had.

Bij een eerdere collegereeks, waar de verhoudingen ongeveer hetzelfde waren, schreef een student in de evaluatie: ‘Ik heb veel bewondering voor meneer Breeuwsma om het feit dat hij zijn college vol enthousiasme bleef houden, ook al waren er maar heel weinig studenten die zijn college bijwoonden.’

Kennelijk doet het er niet toe, ook al zit er niemand meer in de zaal, ik blijf net zo enthousiast lesgeven.

Dat kan natuurlijk maar een ding betekenen: Ik ben al een robot.