Pelgrim

De zaterdag na Goede Vrijdag ga ik naar huis, zeg ik thuis; dat ik daarmee het ouderlijk huis bedoel, hoef ik niet uit te leggen. Gek eigenlijk, ik ben al veertig jaar uit huis, heb een eigen gezin, en mensen die me een tijdje niet hebben gezien, zeggen steevast dat ik grijs geworden ben, dus jong zal ik wel niet meer zijn, maar in het naar huis gaan lijkt iets van de tijd stil te hebben gestaan.
Door Gerrit Breeuwsma

Nee, ik neem geen vuile was meer mee en ik kom ook niet in de hoop op een aanvulling op mijn studiebeurs, zoals in lang vervlogen tijden, maar toch weet ik zeker dat ik bij het weggaan later op de dag een tas vol boodschappen in handen krijg gedrukt, met daarin naast allerlei lekkernijen, een envelop met inhoud die ik onder de jongens moet verdelen. Als ze denkt dat ik even niet oplet, stopt ze vaak ook nog wat geld in mijn jaszak. Als ik quasi-beledigd vraag wat dat moet, want ik ken die streken zo langzamerhand, zegt ze ‘gooi je tank er maar mee vol’, alsof ik anders ergens langs de weg zou stranden. Ik heb inmiddels geleerd dat ik mijn moeder een groter plezier doe door het geld aan te nemen dan er iedere keer stampij over te maken.

Volgens een aardig boek van de journalisten Herman Vuijsje en Anneke Groen kenmerkt de babyboomgeneratie zich door wat zij typeren als ‘eindeloos ouderschap’. Tot ver in de volwassenheid blijven ouders zorg dragen voor hun kinderen en vervolgens hun kleinkinderen, deels door hand- en spandiensten te verrichten, maar ook door financieel bij te springen. Ik ben eigenlijk net te jong voor de babyboomgeneratie (vermoedelijk het enige waar ik nog te jong voor ben), maar het komt me allemaal niet onbekend voor. Niet alleen mijn moeders ouderschap, ook mijn kindertijd heeft er moeite mee zijn definitieve voltooiing te vinden.

Het is koud voor de tijd van het jaar en er staat een straffe wind, maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden een kleine sentimental journey te maken naar de streek waar onze roots liggen. We rijden eerst naar ons beider geboortedorp om het graf van mijn vader te bezoeken en stellen vast dat alles er mooi bij ligt. Daarna zwalken we wat over het kerkhof. Ik kijk naar de namen waarvan de meeste me vertrouwd zijn en ik bedenk me dat er geen plek op aarde is waar ik zoveel mensen ken als hier.

Slalommend tussen de graven is iemand in de weer het gras te maaien en binnen dertig seconden heeft mijn moeder achterhaald dat hij verre familie van ons is. ‘Pier de Hovenier’, staat er op zijn bedrijfsjas, wat op een kerkhof helemaal geen slechte naam is. ‘Als je maar diep genoeg graaft, zijn we allemaal familie’, zeg ik, en ik realiseer me dat je dat in dit geval ook letterlijk zou kunnen nemen.

Daarna rijden we naar Makkum. Mijn moeder vraagt of ik The Passion ook heb gezien (nee!). Ze zegt dat er dit jaar een zwarte Jezus was. Ik doe net alsof ik geschokt ben, geen zwarte Piet, wel een zwarte Jezus, waar moet het heen met dit land. Dan rijden we langs de IJsselmeerdijk via Piaam, waar ooit mijn grootmoeder op de Nynke Pleats is geboren, verder naar Gaast, waar Theunis Piersma misschien wel ergens met een verrekijker de lucht afspeurt op zoek naar zwaluwen, maar half april is wellicht nog te vroeg. Als we Workum naderen, zijn we het erover eens dat er in het voorjaar niks boven Friesland gaat. ‘Maar Groningen is ook best mooi’, zegt mijn moeder, alsof ze vast anticipeert op mijn onvermijdelijke vertrek.

Als ik ’s avonds weer terugrijd, heb ik Steve Earle over de speakers en zing luidkeels mee: ‘I am just a pilgrim on this road, boys; Until I see you fare thee well.

Dan vraag ik me af of ik vandaag misschien ook op pelgrimstocht ben geweest, een bedevaart naar mijn kindertijd wellicht? Ik besluit van niet, maar een tikje gelouterd voel ik me wel.