Papkinderen

Het is nu officieel een trend: steeds meer studenten blijven thuis wonen. Vorig jaar ging landelijk nog (maar) 28 procent van de startende bachelorstudenten op kamers, dit jaar was het slechts 13 procent. In Groningen is nog steeds 70 procent uitwonend, maar ook aan de RUG is de algemene tendens dat steeds meer studenten thuisblijven.
Door Gerrit Breeuwsma

Het is de laatste tijd ook wel te merken, want als ik een afspraak met studenten probeer te maken, kunnen ze vaak niet omdat ze ‘thuis zijn en op vrijdag nooit naar school gaan’. En als ze op stage moeten, trekken ze ook steeds vaker weer bij hun ouders in. Tja, pap en mam zijn tegenwoordig je beste vriend.

Toch schrok ik wel een beetje van die 13 procent. Waarom dan nog studeren, was het eerste dat bij mij opkwam, maar dat komt wellicht omdat ik niet in de laatste plaats wilde studeren omdat ik dan op kamers kon. Geen idee meer wat me destijds trok aan psychologie, maar ik weet wel dat ik er op mijn achttiende, negentiende erg aan toe was om het ouderlijk huis te verlaten. Er was ook geen haar op mijn hoofd die er aan dacht ooit weer terug te gaan.

Een eigen kamer, met vierdehands meubels, posters aan de muur, boekenkasten die zich gestaag vulden, jazzplaten die je ook ’s nachts om 2 uur kon draaien, zonder dat iemand zich daaraan stoorde. De experimenten in de keuken, balancerend tussen exotisch of mislukt, tussen te heet of aangebrand.

Zelfs je eigen was doen had zijn charme. Er waren studenten die hun wasgoed op vrijdagavond in een weekendtas stopten om het door hun moeder te laten wassen en strijken, maar ik tikte al gauw een oude Ruton-wasmachine met wringer op de kop. Die stond op zaterdagochtend gezellig in de badkamer te schuddebuiken, waarna je het natte goed met de hand door de wringer moest halen (pas op voor je vingers). Kom daar nog maar eens om bij de student van nu, zoals de 22-jarige Teun die na een periode op zichzelf toch weer bij zijn ouders is gaan wonen: ‘Minder stress aan je hoofd. Het was veel werk om dat huis samen schoon te houden. Nu kun je opstaan, eten, en dan ga je naar de bibliotheek.’

De laatste weken werd ik een paar keer door de media gebeld met de vraag of het ook erg is dat studenten langer thuisblijven. Als psycholoog word je meestal gebeld met de vraag of iets erg is. Ik zeg dan steevast dat dat niet zo is (tenzij het natuurlijk héél erg is) en dan merk ik wel dat ze aan de andere kant van de lijn altijd een beetje teleurgesteld zijn.

‘Dat is niet zo erg’, zei ik dus en voelde dat het gesprek daarmee een doodlopende weg inschoot. Ik voegde er daarom als goedmakertje aan toe dat het vroeger wel erg werd gevonden. Zo verscheen er na de Tweede Wereldoorlog een door pedagogen geschreven rapport over ‘de maatschappelijke verwildering van de jeugd’, waarin zorgelijk werd gesproken over een jongeman van 26 die nog bij zijn moeder woonde; volgens het rapport een typisch voorbeeld van iemand ‘die de moed had opgegeven nog iets in de wereld te bereiken’.

En wat te denken van de Italiaanse jongeren die vaak tot hun dertigste thuis blijven wonen? Vooral zonen zijn niet bij hun mama weg te slaan. Enkele politici vroegen een debat aan en zeiden te vrezen dat een hele generatie dreigt op te groeien tot bamboccioni – papkinderen – die weigeren volwassen te worden. Dat zou het land op den duur lelijk opbreken, zo meenden ze.

Papkinderen dus.

Nu nog een paar pedagogen zo gek zien te krijgen dat ze er een rapport over willen schrijven, onder de titel ‘de maatschappelijke vertrutting van de jeugd’, zodat we daar over vijftig jaar weer om kunnen glimlachen.

21 September 2016 | 21-9-2016, 14:41