Het proefballonnetje van de minister

 

Casper Albers is adjunct-hoogleraar toegepaste statistiek en datavisualisatie aan de Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen en zit namens de Personeelsfractie in de universiteitsraad. Hij schrijft vanaf nu om de twee weken voor UKrant een column.
Door Casper Albers

Vorige week gaf minister Van Engelshoven van Onderwijs aan dat universiteiten voortaan de BSA-grens op maximaal 40 EC mogen leggen. Dat kwam nogal onverwacht en leidde dus handig de aandacht af van alle terechte protesten tijdens de openingen van het academisch jaar.

De Leidse rector Carel Stolker tweette dat hij het besluit ‘ontzettend stom’ vindt. Onze eigen rector twitterde er niet over, maar vindt dit vast ook.

Volgens haar eigen website heeft de minister dit besluit genomen om te voorkomen dat studenten onnodig struikelen. Een nobel streven, niemand houdt van onnodige narigheden, maar volkomen misplaatst. Aan de RUG hanteren we sinds zeven jaar de grens van 45 punten. De minister suggereert dus dat iedereen die 40-44 punten had, onnodig is gestruikeld.

Geen onderbouwing

Zoals met de meeste proefballonnetjes, ontbreekt de empirische onderbouwing. De RUG-grens is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat ik met collega’s van het Educational Support and Innovation (ESI) heb uitgevoerd. De RUG krijgt alleen geld van de minister voor studenten die binnen vier jaar een bachelordiploma halen. Studeer je langer, dan kost je de universiteit geld.

Dankzij jarenlange Haagse verschraling moeten we op de kleintjes letten: wegsturen van te langzame (en daardoor te dure) studenten zorgt er voor dat alles betaalbaar blijft. Erg vervelend voor die studenten, maar soms moet je hard zijn, schijnt het.

Vanzelfsprekend probeer je de lat van het BSA op de juiste hoogte te leggen. Hoog genoeg dat de te langzame studenten struikelen, maar tegelijk laag genoeg dat de studenten die je wilt behouden er niet te veel stress aan ontlenen.

Toeval

Het systeem is echter niet foutloos: hoeveel EC een student haalt, hangt niet alleen af van hoe goed iemand is, maar ook van toevalsfactoren. Net een paar vragen te veel verkeerd gokken bij een meerkeuzetentamen, halfziek zijn tijdens de herkansing: het kan allemaal net dat verschil tussen een 5 en een 6 maken.

Door dit toeval zal een aantal studenten minder EC krijgen dan verdiend en dus daadwerkelijk onnodig struikelen. Tegelijkertijd heb je studenten die ‘onnodig’ overeind blijven. Ons model, gebaseerd op tentamenresultaten van alle 13.234 eerstejaarsstudenten van drie cohorten, heeft die onzekerheid in kaart gebracht.

Een student met ‘modale kwaliteit’ (de helft van het cohort is beter, de helft is slechter) heeft bij een grens van 45 punten zo’n 94 procent tot 99 procent kans op een positief advies. Bij een BSA-grens van 50 EC ligt dit zo’n 7 procentpunt lager. Dit resultaat was een van de redenen waarom de RUG van een voorgenomen verhoging van de BSA-grens heeft afgezien.

Karige vergoeding

De minister verdedigt haar beleid met: Wie twee derde van zijn eerste jaar haalt, kan nooit op de verkeerde plek zitten. Erg makkelijk gezegd: het is de karige vergoeding uit Den Haag gecombineerd met de perverse betalingsprikkels die dit veroorzaken.

De RUG geeft met liefde les aan vijfde- en zesdejaarsstudenten, maar van alleen het collegegeld is dat niet te betalen. Als er ooit een echte onderwijspartij in de coalitie zit, is het weer een optie om de grens minder streng te maken.

12 September 2018