Onderwijs

'Het is geen loterij'

Weg met de herkansingen

extra code
Als je zakt voor een tentamen, wil je natuurlijk snel een tweede kans. Zou je denken. Maar volgens onderwijskundigen kan de RUG dat beter laten. ‘Het is geen loterij!’
Door Christien Boomsma

Eigenlijk zijn ze ontzettend eigenwijs, die docenten aan de RUG. Steeds maar weer bedenken ze onderwijsprogramma’s in blokken van tien weken. En steeds maar weer programmeren ze de hertentamens aan het einde van zo’n blok. En dat terwijl iedere onderwijskundige weet dat dat nergens op slaat.

Herkansingen? Die moet je op een zo onhandig mogelijk moment plannen. Of misschien moet je ze zelfs helemaal afschaffen, zoals gebeurde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

De benaming herkansing is fout. Het is immers geen kansensysteem

Zelfs de benaming, ‘herkansing’ is fout. ‘Het is immers geen kansensysteem’, zegt RUG-onderwijskundige Ellen Jansen. ‘Dit klinkt alsof het een loterij is. Maar in feite is het een gelegenheid om te laten zien wat je kunt en hoeveel je weet.’

Nog een keer

Een tweede poging op voorhand al op de agenda zetten, is vragen om moeilijkheden, weet ze. ‘Dan werk je strategisch gedrag alvast in de hand. Zo van: als het niet lukt, dan proberen we het gewoon nog een keer.’

Er is geen onderwijskundige te vinden die dat niet met haar eens is. En dat is logisch, want er is volop onderzoek naar gedaan. Nienke Renting van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde benadrukt dat een deel van de studenten bij zo’n eerste kans enkel hun mogelijkheden verkent. ‘Ze gaan even kijken wat er van hen verwacht wordt op het tentamen, maar dat is wel rijkelijk laat.’

In het huidige systeem slaan studenten pas halverwege het blok – soms zelfs nog later – de boeken open om te leren. Ze concentreren zich dan even volop op het tentamen. En als het mis gaat? Dan doen ze het gewoon in het volgende blok nog een keer. Hordenlopen, noemen de deskundigen dat.

‘Er is ook het psychologische effect’, zegt Renting. ‘Als studenten maar één kans hebben, dan gaan ze harder werken. Ze zetten dan alles op alles en dat gebeurt niet als ze het eindeloos over kunnen doen.’

Inefficiënt

Maar dat is ontzettend inefficiënt. Het kost tijd: de studenten lopen vertraging op. En ook de docenten hebben er last van. Zij moeten immers toetsen bedenken, goede tentamenvragen verzinnen en vervolgens de gemaakte tentamens ook nog een keer nakijken.

Een bijzonder arbeidsintensieve klus. Het hoort erbij natuurlijk, maar het is toch wel jammer als hun studenten die toets vervolgens onvoldoende serieus nemen.

Jansen maakt zich dan ook niet zoveel illusies. ‘Er zijn gewoon ontzettend veel verleidingen voor studenten.’ Een student moet immers ook sporten, vrienden zien, sociale dingen doen of werken. En dat is niet verwend gedrag, of onverantwoordelijk, of zelfs maar onvolwassen.

‘Volwassenen doen het ook’, benadrukt onderwijskundige Ally van Hell van medische wetenschappen. ‘Waarom zou je bezig gaan met het voorbereiden van dat congres als het ook later kan?’

Zesjes

Dus lijkt het dweilen met de kraan open. Hoe vaak docenten hun studenten ook manen om op tijd te beginnen, hoe vaak studieadviseurs ook dreigen met studieachterstand en BSA’s, als het erop aan komt, ze beginnen massaal te laat met leren. Zakken vervolgens. En schrijven zich in voor het hertentamen.

Als je eenmaal een achterstand oploopt, dan neemt die alleen maar toe

Maar dan begint de ellende pas goed. Want wie eenmaal begonnen is met herkansingen, loopt snel vast in het systeem. ‘Mensen denken altijd: Dat haal ik later wel in’, zegt Janke Cohen-Schotanus, die aan de wieg stond van het onderwijsprogramma van geneeskunde. ‘Maar dat is niet zo. Als je eenmaal een achterstand oploopt, dan neemt die alleen maar toe.’

Natuurlijk zijn er de heel goede studenten die er wel in slagen, beaamt ze. Dat zijn de studenten die onder normale omstandigheden een acht halen. Maar het gros van de studenten is nu eenmaal zwakker. ‘Dat zijn de zesjes en de zeventjes en die halen het níet in.’

De belangrijkste reden dáárvoor is het moment waarop de herkansingen gepland zijn: in de laatste week van het aansluitende blok. De sociale faculteit en de godsdienstwetenschappers doen het zelfs in de derde week – dus middenin – dat blok. Een dramatisch slechte keuze, vinden de onderwijskundigen.

Concurrentie

Tuurlijk. Studenten dringen aan op een snelle herkansing, omdat het geleerde dan nog ‘vers’ is. Maar dat is een drogreden. ‘De kennis ís niet vers’, zegt Van Hell. ‘Anders was je wel geslaagd.’

In de praktijk interfereert de stof van blok één volop met die van blok twee. Waardoor de studenten minder gefocust zijn op de kennis die ze daar opdoen om vervolgens weer tegen hetzelfde probleem aan te lopen.

Het bizarre is dat er wel degelijk oplossingen zijn. Een echt blokkensysteem bijvoorbeeld, waarbij de blokken korter zijn dan de huidige acht weken en steeds maar één vak tegelijk wordt gegeven. ‘Dat was ooit zo bij pedagogiek’, zegt Jansen. ‘De studielast was hetzelfde, maar er was weinig concurrentie tussen de vakken en de rendementen waren hoger.’

Je moet erheen dat slagen normaal is. Nu is zakken normaal

Toch besloot de faculteit om aan te sluiten bij het huidige systeem, waarbij de blokken tien weken beslaan en twee of drie vakken tegelijk worden gegeven. Het was immers praktisch als studenten wilden ‘shoppen’ bij een andere faculteit. Maar de rendementen gingen vervolgens wel omlaag.

Herkansingen plan je liefst aan het einde van het jaar, zodat de student zich alleen maar daarop concentreert. Vervelend als je een vakantie geboekt hebt, maar vervelend moét ook. ‘Je moet erheen dat slagen normaal is. Nu is zakken normaal’, zegt Cohen-Schotanus.

Dat het wel degelijk kan, bewijst de Faculteit Medische Wetenschappen. Voor studenten geneeskunde is het jaar opgedeeld in twee semesters. Voor hen geen losse vakken, maar probleemgestuurd onderwijs. Zo houden ze zich bijvoorbeeld bezig met een ‘patiënt met downsyndroom’. Bij zo’n vak komen allerlei deelvakken aan de orde: denk aan genetica, maar ook interne geneeskunde, of celdeling.

Deeltoets

De studenten maken vervolgens elke drie tot vier weken een deeltoets waarbij ze tientallen vragen over alle deelgebieden krijgen voorgeschoteld. Er zijn geen ‘studieweken’ – die zouden suggereren dat je in de tussentijd níet hoeft te studeren. De ene dag is er college, de volgende dag de toets. Bovendien wordt er cumulatief getoetst: onderwerpen uit de voorgaande toets keren terug, zodat de kennis beter inslijt.

Pas aan het einde van het semester volgt de afrekening. De student slaagt. Of zakt. En wie zakt, mag in juli herkansen. Niet voor één vak, maar voor álles. ‘Bij ons haal je het niet in je hoofd om even te gaan kijken wat er gevraagd wordt’, zegt Van Hell.

De resultaten zijn ernaar. Geneeskunde heeft de beste rendementen van de hele universiteit. En het kennisniveau van de studenten is hetzelfde als dat van hun collega’s uit de rest van het land.

De Faculteit Economie en Bedrijfskunde heeft weliswaar een regulier blokkensysteem, maar daar wordt wel naar tevredenheid gewerkt met tussentijdse toetsen en mogelijkheden tot compensatie.

Tuurlijk zijn er ook daar docenten zat die studenten niet aan het handje willen houden. Die vinden dat ze er zelf achter moeten komen dat ze consequenter moeten leren. ‘Maar is dat echt de les die je ze wilt leren?’, zegt Renting. ‘Ik geloof niet dat het acceptabel is om studenten te laten zwemmen. Het onderwijs moet erop gericht zijn om studenten te laten leren en hun talenten te ontwikkelen.’

Toets cumulatief

Rest de vraag waarom niet de hele universiteit zo’n systeem heeft ingevoerd. Zou het niet de plek bij uitstek zijn om de wetenschappelijke kennis over toetsing in praktijk te brengen?

In de praktijk blijkt dat niet zo gemakkelijk. Al te vaak is de manier waarop het onderwijs is ingericht, gestoeld op de manier waarop de docenten het vak zelf ooit leerden. ‘De theorie wint het niet van het onderbuikgevoel’, zegt Van Hell.

Ook wordt er vaak geschermd met termen als ‘academische vorming’, of ‘academische vrijheid’. ‘Ik noem dat academische vrijblijvendheid’, zegt Cohen-Schotanus. ‘Een student heeft de vrijheid om niet mee te doen. Maar als die meedoet, zijn dit de regels en procedures.’

Maar wie onderwijs geeft, moet realistisch zijn. ‘Als studenten bij je komen, willen ze drie dingen weten: wanneer is de toets, wat moet ik doen om die te halen en wat gebeurt er als ik zak’, zegt Cohen-Schotanus. ‘Dat is nu eenmaal zo.’

En dus moet je die toetsen gebruiken om het onderwijs te sturen. Plan er véél, zodat studenten blijven leren. Zorg voor compensatiemogelijkheden, zodat studenten niet blijven hangen op één onvoldoende. Toets cumulatief, zodat een latere acht ook écht compenseert voor een eerdere vijf. En maak herkansen zo onaantrekkelijk mogelijk.

English