Wetenschap
Ochtendmens of avondmens

Wanneer werk jij het best?

Ochtendmens of avondmens

Een meerderheid van de bevolking presteert later op de dag beter dan ’s ochtends. Het zou daarom veel efficiënter zijn om onze arbeidstijden flexibeler in te delen, vindt – inmiddels gepensioneerd – hoogleraar chronobiologie Domien Beersma. Maar moeten we dat willen, afstappen van het zo stevig in de maatschappij verankerde negen-tot-vijfritme?

Door Leonie Sinnema / Video Robbert Andringa / Animatie René Lapoutre

Avond- en ochtend­mensen bestaan echt.

Wat voor type je bent, is afhankelijk van het ritme van de cellen in de suprachiasmatische nucleus: je biologische klok.

Hoe je biologische klok ‘tikt’, is afhankelijk van twee factoren: erfelijkheid en blootstelling aan licht.

Blootstelling aan kunstlicht ’s avonds heeft ertoe geleid dat er tegenwoordig meer avond- dan ochtendmensen zijn.

Vroeg aan het werk moeten kan bij avondtypes lijden tot gezondheids­problemen.

Domien Beersma, inmiddels gepensioneerd hoogleraar chronobiologie, pleit daarom voor een flexibelere indeling van de werkdag.

Veel mensen lijken toch vast te willen houden aan het regelmatige stramien, vooral vanwege de scheiding tussen werk en privé.

Leestijd: 6 minuten (1317 woorden)

Een volle collegezaal, 9.00 uur ’s ochtends. Terwijl de docent monter begint aan het twee uur durende hoorcollege, blijven studenten met slaperige gezichten en warrige net-uit-bedkapsels de zaal binnenstappen. Met verontschuldigende blik kijken ze rond, of vluchten zo snel en geruisloos mogelijk naar een lege stoel. Een kater? Misschien. Maar veroordeel deze luiwammesen en notoire laatkomers niet te snel. Een tikkend klompje cellen in hun hersenen zou weleens de oorzaak kunnen zijn.

Tikkende wijzers in je brein

Je chronotype bepaalt op welk moment van de dag jij het liefst actief bent. Een klompje ritmische cellen in de suprachiasmatische nucleus, beter bekend als je biologische klok, is hiervoor verantwoordelijk. De biologische klok ligt op het kruispunt van de zenuwbanen van je ogen en bestaat uit cellen die elk een eigen ritme hebben. ‘Zelfs als je een van die cellen isoleert en in een bakje in leven houdt, houdt zo’n cel een 24-uursritme aan’, legt Domien Beersma uit.

Samen genereren de cellen van je biologische klok een slaap-waakritme, ook wel circadiaan ritme genoemd. Bij de meeste mensen is dat iets langer dan 24 uur, maar mensen met een laat chronotype (avondmensen) hebben vaak een interne klok die langzamer tikt. Ritmes tot 25 uur zijn bij avondtypes geen uitzondering. Hoe langzaam of snel je interne klok tikt, is vooral erfelijk bepaald. Ook de mate waarin je wordt blootgesteld aan licht speelt een rol. ‘Ook al heeft de klok een afwijkend ritme, het daglicht houdt dat in de pas’, vertelt Beersma. Samen bepalen de twee krachten tijdens welk dagdeel je op je best bent.

Hoeveel mensen ochtend- en avondtypes zijn, is lastig vast te stellen. ‘Dat is een definitiekwestie’, zegt Beersma. Als je aan iedereen zou vragen hoe laat hij het liefst wakker wordt, volgen de antwoorden min of meer een normaalverdeling, met een paar extreme uitschieters naar de ochtend- of avondcategorie. ‘Maar er zijn relatief weinig ochtendtypes, veel meer avondtypes. Dat was vroeger niet zo.’

Zelf gedaan

Onderzoekers lieten twee groepen proefpersonen kamperen. De ene groep had een laat chronotype, de andere groep bestond uit vroege vogels. Zonder de invloed van kunstlicht bleek de voltallige groep ’s ochtends beter te presteren, ook de avondmensen. ‘Doordat we onszelf steeds meer blootstellen aan kunstlicht, verschuift onze biologische klok’, legt Beersma uit. Licht in de avond is de hoofdschuldige. ‘Vooral in de winter zijn de avonden lang. Als de zon allang onder is, zou je vanuit evolutionair perspectief niet veel licht meer verwachten. Maar met kunstlicht is dat niet meer het geval. Dat licht wordt door de cellen van de biologische klok geïnterpreteerd als een ondergaande zon. En als die zon laat ondergaat, verschuift onze biologische klok mee en word je later moe.’

Als je er geen aanleg voor hebt, zal het niet gebeuren, maar vaststaat dat onze biologische klok nu heel anders functioneert dan vroeger. ‘We hebben het als maatschappij zo gemaakt. Laten we dan ook nog een stap verder gaan en het iedereen gemakkelijker maken. De kans dat mensen terugkeren naar het patroon van onze voorouders is niet zo groot’, stelt Beersma.

Niet uitgeslapen

Het negen-tot-vijfritme kan bovendien serieuze gezondheidsgevolgen hebben voor avondmensen, waarvan een chronisch slaaptekort het vaakst voorkomt. ‘Een chronisch slaaptekort leidt tot slecht functioneren. Traagheid, een hoger risico op ongelukken: het is allemaal met slaaptekort gekoppeld’, vertelt Beersma.

Ook onder studenten speelt dit probleem, bleek uit recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Slaap- en Waak Onderzoek (NSWO), de Universiteit Leiden en de hersenstichting. Een kwart van de 1378 ondervraagde studenten geeft aan met regelmaat geen zin in studeren te hebben vanwege slaperigheid. Twee derde van de studenten zou graag langer slapen. Bovendien leidt slaaptekort tot significant lagere cijfers.

De oplossing is volgens Beersma eenvoudig. ‘Je moet mensen laten werken op de tijden dat ze het beste functioneren. Dus als jij je ploegendienstrooster wilt vullen, kan je tegen iedere medewerker zeggen: je hebt om de zoveel tijd een ochtend- of avonddienst. Maar je kan ook zeggen: we laten de vroege typen de ochtenddiensten doen en de avondtypen ’s avonds werken. Er blijft natuurlijk een gedeelte in de nacht waarop niemand graag werkt, maar je komt elkaar al bijna tegen. Je kan veel verder komen door het zo te doen. We zijn zo gewend aan een strak rooster, daar komen we maar moeilijk van los. Maar ik denk dat de belangen aan alle kanten heel groot zijn, ook de belangen van het individu zelf. Ik vind dat we te weinig rekening houden met die verschillende mensen.’

Scheiding tussen werk en privé

Maar willen mensen dat eigenlijk wel? De manier waarop we tegen werk aankijken is erg veranderd, zegt Rudi Wielers, universitair hoofddocent sociologie. ‘Werk met een vast negen-tot-vijfritme was in de jaren negentig nog vaak saai werk, niet iets wat je ambieerde.’

Toch blijkt uit onderzoek dat het overgrote deel van de Nederlandse beroepsbevolking nog steeds het liefst volgens het negen-tot-vijfstramien werkt. ‘Dat heeft te maken met dat veel mensen een scheiding wensen tussen werk en privé. Vooral vrouwen hechten sterk aan het ritme, omdat ze hun privétaken, zoals het ophalen van hun kinderen, erop afstemmen. Wat oudere mannen zouden blij zijn met een flexibeler indeling van de arbeidstijd’, vertelt Wielers.

Een voorkeur voor een vast ritme heeft dus sterk te maken met gezinstaken. ‘Het zou mij echter niets verbazen als jongere mensen er anders tegenaan kijken’, zegt Wielers. Zou het werken en studeren aan de universiteit flexibeler kunnen? ‘Veranderingen in het bioritme hakken er bij iedereen vaak behoorlijk in. Bovendien worden wij vooral afgerekend op wat we doen, niemand controleert of ik om 9.00 uur achter mijn bureau zit. Voor studenten, die vaak wisselende contacturen hebben, zou een wat dwingender ritme juist wel goed zijn’, lacht hij.

Hoe denken RUG-studenten en -medewerkers zelf eigenlijk over flexibelere werktijden? De UK ging de straat op en zocht het uit.

English