Eerste slide: Voorpagina met Chapeau en kop

Vrouwen in de wetenschap

Baanbrekend en bekwaam

1-1 intro

Vrouwen in de wetenschap lopen nog steeds tegen het glazen plafond aan, blijkt uit onderzoek. Slechts één op de vijf hoogleraren aan de RUG is een vrouw. Onderwijsminister Jet Bussemaker stelt daarom extra geld beschikbaar. En de RUG wil dat in 2020 een kwart van de hoogleraren vrouw is.
Maar het is niet alleen kommer en kwel: aan de RUG zijn genoeg voorbeelden van succesvolle vrouwen. In verschillende vakgebieden behoren zij tot de top van de wetenschap. Hoe kijken zij aan tegen wat ze hebben bereikt? Wat zijn hun doelen en idealen?
Tekst: Simone Harmsen en Anne Floor Lanting / Foto’s: Traci White
2-1 Basiaanse

Roelien Bastiaanse

hoogleraar neurolinguïstiek, 61 jaar

2-2

‘Balans tussen plezier hebben en goed zijn in wat je doet’

Roelien Bastiaanse is al jaren een belangrijke spil bij de opleiding Taalwetenschap. Toch is het min of meer toeval dat ze op die plek terecht kwam. ‘Ik heb nooit een universitaire carrière geambieerd. Na mijn afstuderen werkte ik zeven jaar in een revalidatiekliniek voor afasiepatiënten toen ik door Frans Zwarts (toenmalig hoogleraar taalwetenschap en oud rector magnificus, red.) een baan aangeboden kreeg aan de RUG. Om bij de RUG aan de slag te mogen gaan, moest ik eerst promoveren.’

Haar interesse in afasie, een taalstoornis die optreedt na hersenletsel, ontstond tijdens haar studie linguïstiek in Amsterdam. ‘Ik had een bevlogen docent die college gaf over het onderwerp. Daarvoor had ik nog nooit van afasie gehoord. Maar vanaf zijn eerste college wist ik: hier ga ik me mee bezighouden.’

Van al haar wetenschappelijke prestaties is Bastiaanse het meest trots op de invloed die ze heeft kunnen uitoefenen op hoe openhersenoperaties uitgevoerd worden. ‘Voorheen werden patiënten tijdens wakkere hersenoperaties alleen getest op het gebruik van zelfstandig naamwoorden, maar samen met mijn collega’s heb ik aan kunnen tonen dat werkwoorden ook in deze tests moeten worden meegenomen om te voorkomen dat essentiële hersengebieden worden weggesneden.’

Hoewel ze beaamt dat haar collega’s en vrienden haar als zeer ambitieus omschrijven, benadrukt ze dat haar carrière niet alleen gaat om wat ze zelf bereikt heeft. ‘Ik vind het heel mooi dat ik mijn internationale promovendi kan helpen zodat ze in hun thuisland hun eigen carrière op kunnen bouwen. Met hen houd ik een levenlang contact. Dat is me erg dierbaar, de waardering die ik krijg als hun begeleider ook’, zegt ze met een warme glimlach.

Ze vindt dat ze de mooiste baan heeft die er bestaat, maar voor haar is het hoogleraarschap nooit het ultieme doel geweest. ‘De echte kroon op je werk is een goede balans tussen plezier halen uit je werk en goed zijn in wat je doet.’ En als iemand echt goed is in wat die doet, komt die persoon vanzelf bovendrijven, lijkt haar overtuiging. ‘Een positie als hoogleraar moet naar de beste kandidaat, of dat nou een man of een vrouw is.’

2-3

‘De persoon op dit zelfportret, Ron van Zonneveld, is van grote invloed geweest op mijn wetenschappelijke carrière. Hij was de theoretisch taalkundige en ik de neurolinguïst. Samen hebben we veel onderzoek gedaan, waarbij hij de theorieën aandroeg en ik de experimenten deed. Daar zijn mijn mooiste artikelen uit voortgekomen. Van collega werd hij vriend, van vriend werd hij echtgenoot, dus in alle opzichten is hij de belangrijkste persoon in mijn leven geweest.’

3-1 Buitelaar

Marjo Buitelaar

hoogleraar hedendaagse islam, 58 jaar

3-2

‘Het beeld van de hoogleraar is nog altijd dat van een man’

Marjo Buitelaar is sinds september 2016 hoogleraar aan de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Momenteel leidt ze een door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerd onderzoeksproject naar de bedevaart naar Mekka. Een verhuizing van haar ouders naar Saoedi -Arabië toen ze eerstejaarsstudente antropologie was, legde de kiem voor haar interesse voor de islam.

‘Toen ik daar voor het eerst op bezoek ging, werd ik gegrepen door het Arabisch. Terug in Nederland ben ik er dus voor de lol Arabisch bij gaan doen’, vertelt Buitelaar. Het bracht haar uiteindelijk naar Marokko voor veldonderzoek naar hammâms (badhuis voor vrouwen), waar ze later terug kwam voor haar promotieonderzoek naar de ramadan.

Een van haar voornaamste doelen als hoogleraar is om met haar onderzoek bij te dragen aan een adequate informatievoorziening over moslims. ‘Ik vind het jammer dat er zo’n eenzijdig beeld bestaat over de islam. Dit is natuurlijk de laatste jaren alleen maar erger geworden, de associatie met geweld, vrouwenonderdrukking en terrorisme. Hiermee doe je de meeste moslims geen recht en bovendien verhinder je de integratie van moslims in Nederland, want dat moet van twee kanten komen’, zegt ze.

De hoogleraar is bedachtzaam, regelmatig laat ze pauzes vallen om haar woorden zorgvuldig te kiezen. Over de wetenschappelijke prestatie waarop ze het meest trots is, moet ze ook even nadenken. ‘Al het onderzoek dat ik heb gedaan, daar heb ik zowel over gepubliceerd in wetenschappelijke publicaties als in publieksgerichte Nederlandstalig publicaties’, vertelt ze wijzend naar de boekenkast in haar werkkamer waarin onder andere haar populair wetenschappelijke boek over de ramadan staat.

Over de positie van vrouwen in de wetenschap is Buitelaar duidelijk. ‘Ik denk niet dat mannen en vrouwen generiek een andere stijl hebben van hoogleraar zijn, maar niet zelden zie je wel andere accenten. Toch is het beeld van de hoogleraar nog altijd dat van een man. Dat is dan bewust of onbewust ook de norm waarnaar gezocht wordt. Wel denk ik dat het beeld langzaamaan aan het veranderen is. Op onze faculteit zou een mannelijk hoogleraar die de binnenplaats oprijdt op de bakfiets waarin hij zojuist zijn kinderen naar school bracht twintig jaar geleden ondenkbaar zijn geweest.’

3-3

‘Op de mok staat op I love Mekka. Er zijn tal van varianten op  I love… De mok is een mooi voorbeeld van hoe religieuze gevoelens, betekenissen en praktijken mede vorm krijgen door cultuur en dus veranderen. De mok illustreert meer specifiek dat moslims nooit alleen moslim zijn. De wens om wat ze voor de islam voelen uit te drukken in een format dat wereldwijd populair is en vele varianten kent, toont aan dat de pelgrims die dit soort souvenirs kopen ‘kinderen van hun tijd’ zijn. De inbedding van religie in het dagelijks leven is mijn grote fascinatie in onderzoek.’

4-1 Cisca Wijmenga

Cisca Wijmenga

hoogleraar humane genetica, 53 jaar

4-2

‘De guts om nieuwe dingen op te pakken’

Cisca Wijmenga behoort tot de absolute top binnen haar vakgebied. Haar huis weerspiegelt haar creativiteit en succes. Een statig herenhuis dat bescheiden, maar stijlvol en modern is ingericht. Aan de muren hangen gestileerde foto’s en de meubels zijn strak maar kleurrijk. De Spinozalaureaat doet onderzoek naar de darmziekte Coeliakie en kijkt vooral naar darmbacteriën. ‘Naast een nieuwe behandelmethode, willen we een test ontwikkelen waarmee we patiënten heel snel kunnen opsporen. Veel mensen weten namelijk niet dat ze het hebben.’

Wijmenga praat met zachte stem. ‘Wat ik leuk vind aan mijn onderzoek is het creatieve proces. Dat we samen bedenken hoe we zó iets complex gaan oplossen.’ Het gebruik van de wij-vorm en bescheiden manier van spreken typeren haar. ‘Ik geniet echt van al die jonge mensen om me heen. Uiteindelijk doen zij het werk. Ik doe niet veel meer dan dat volgen en ideeën verzinnen.’

Met een trotse glimlach: ‘We waren afgelopen week op een congres in Engeland, waar mensen van mijn groep een posterpresentatie hielden. Ik kan er zo enthousiast van worden als ik ze bezig zie. Ze stonden daar met zo veel enthousiasme.’

Samen met haar collega’s steekt ze veel energie in het ondersteunen van haar pupillen. ‘Voor een presentatie laten we ze zeven keer oefenen, voor de hele vakgroep. Als je het verschil tussen de eerste en laatste keer ziet! Het is leuk om te zien hoe mensen groeien in hun vak.’

Dankzij haar vele prestigieuze beurzen heeft Wijmenga veel ruimte gehad om innovatief onderzoek te doen. Een mogelijkheid die volgens haar alle wetenschappers zouden moeten krijgen. ‘Als je in Nederland je nek té ver uitsteekt, wordt je kop eraf gehakt.’

Ze houdt er niet van de gebaande paden te bewandelen. ‘Toen we vijf jaar geleden het onderzoek naar darmflora oppakten, hadden we geen kennis van zaken. Nu worden twee vrouwen van mijn groep gezien als echte autoriteit op dit gebied. Ik ben trots dat wij de guts hebben om nieuwe dingen op te pakken.’

4-3

‘Deze foto van mijn vakgroep is genomen tijdens de uitreiking van de Spinozaprijs. Ik wilde ze er per se bij hebben; ze zijn mijn inspiratie.’

5-1 Basiaanse

Marthe Walvoort

assistent-hoogleraar chemische biologie, 33 jaar

5-2

‘Ik voel me geen excuustruus!’

Toen Marthe Walvoort op de middelbare school zat, had niemand durven denken dat ze het later zou schoppen tot assistent hoogleraar in de chemie. ‘Ik snapte echt niet veel van scheikunde. Dat frustreerde me zo. Ik wilde gewoon weten hoe het werkt’, legt de goedlachse onderzoekster uit. ‘Ik had toen een hele leuke jongen die me bijles gaf. Hij was scheikundestudent en kon zó bevlogen vertellen. Toen ben ik ook scheikunde gaan studeren.’

Op het whiteboard in haar werkkamer prijken de structuurformules van verschillende suikers – haar passie. Tijdens een half jaar studie in Oxford maakte ze kennis met de wondere wereld van de suikermoleculen. ‘Ik had daar een hele gedreven professor en was erg onder de indruk van zijn onderzoek. Zijn fascinatie voor de chemie van suikermoleculen was aanstekelijk.’

Wat er zo leuk is aan suikermoleculen? Met een lach van oor tot oor: ‘Ze lijken heel simpel, maar in al hun eenvoud komen ze in de natuur voor in erg complexe structuren. Dit in tegenstelling tot andere stoffen, zoals aminozuren, die alleen als rechte ketens voorkomen. Dit maakt het voor een chemicus een uitdaging om suikers na te maken.’

Walvoort werkte na haar promotie in Leiden drie jaar als postdoc aan Massachusetts Institute of Technology (MIT). Een heel leerzame ervaring. ‘Onderzoek heeft een hoog aanzien in de Verenigde Staten en veel mensen op MIT zijn enorm gedreven. De werkdruk was erg hoog, waardoor je dus wel heel veel ervaring opdoet. Maar er is weinig ruimte voor andere dingen. Hier aan de RUG zijn mensen ook gedreven maar relaxter. Er is meer dan alleen werk. In de vakgroep bij MIT was ik de eerste vrouw die zwanger was. Hier op de afdeling hebben meerdere mensen drie, vier kinderen: dat is leuk.’

Terug in Nederland ging ze met een Rosalind Franklin fellowship aan de slag bij de RUG. ‘Toen ik terug kwam uit de VS waren er niet zo veel plekken. Zonder dat fellowship had ik hier niet gezeten, en was ik misschien wel de wetenschap uit gegaan. Maar ik voel me geen excuustruus! Om die plek te krijgen moet je gewoon goed zijn.’

Sinds november 2015 heeft Walvoort haar eigen lab in de Linnaeusborg, waar ze op dit moment samen met twee PhD’s, een postdoc en drie studenten onderzoek doet. ‘Ik vind het heel erg leuk om studenten en PhD’s te begeleiden – ze het licht te laten zien. Succes betekent voor mij dat de mensen in mijn groep gelukkig zijn.’

 

5-3

‘Dit is een 3D-model van een suikermolecuul. Het staat voor mij symbool voor de eenvoud en tegelijkertijd de complexiteit. En maakt het tastbaar.’

6-1 Basiaanse

Dorina Buda

assistent-hoogleraar culturele geografie, 36 jaar

6-2

‘Je moet buitengewoon excellent zijn’

De van oorsprong Roemeense Dorina María Buda kwam in 2014 naar Groningen als een Rosalind Franklin fellow. Ze doet onderzoek naar tourism geography en dark tourism. ‘Ik wil weten waarom mensen reizen naar plekken van conflict en oorlog. Tegen de verwachting in reizen mensen namelijk heel veel naar conflictgebieden. De term dark tourism is een buzzword voor de media, maar ik ben vooral geïnteresseerd in emoties. Wat ervaren toeristen en locals tijdens die reizen?’

Wat ze hoopt te bereiken met haar onderzoek? ‘Heel idealistisch zou ik zeggen: wereldvrede. Maar ik ben nuchter, als ik een klein beetje kan bijdragen aan het begrip voor dit fenomeen, is dat mooi.’ Daarnaast is Buda vastbesloten het onderzoek naar toerisme op de kaart te zetten. ‘Toerisme is in Nederland beperkt tot het hbo. Maar ik hoop dat ik kan laten zien dat het meer is dan een industrie. Het is een fenomeen dat academische aandacht verdient.’

Het huis van Buda is sober ingericht: een grote bank en kleine eettafel met stoelen vullen de woonkamer. Buda werkt hard, heel hard: ‘In de vier jaar dat ik hier werk heb ik al veel papers gepubliceerd, in nationale bladen gestaan, een Veni-beurs gekregen, een boek gepubliceerd, ben in de Young Academy gekomen en heb studenten begeleid.’

Ze neemt geen blad voor de mond als het gaat om de positie van vrouwen in de wetenschap. ‘Als (internationale) vrouw haal je het niet als je gewoon goed bent, of je nu een Rosalind Franklin fellow bent of niet. Je moet buitengewoon excellent zijn: innovatief, origineel en gedreven. Volgens mij is het een mythe dat vrouwen minder ambitieus zouden zijn of minder zouden werken dan mannen.’

Als voorbeeld neemt ze de toekenning van de Veni-beurzen. ‘In het aanvraagstadium is ongeveer vijftig procent vrouw. Bij de toekenning daalt dat aandeel.’ Daar móet iets aan gebeuren, vindt Buda. ‘In Groningen zijn er naast het Rosalind Franklin fellowship verschillende initiatieven die vrouwen ondersteunen. Maar de veranderingen komen met een slakkengang.’

6-3

‘Ik zie landkaarten als accessoires die gebruikt worden bij reizen, toerisme en algehele mobiliteit. Landkaarten stellen ruimtelijke verbanden voor die de verbinding vormen tussen mensen en plaatsen. Het zijn culturele en politieke concepten. In mijn werk pluis ik toeristische en geografische concepten uit die invloed hebben op hoe we de wereld zien, meten en ervaren. Ik pleit voor een meer omvattende, emotionele en gevoelsmatige manier van de wereld kennen en voorstellen, zeker op plekken en in tijden van sociopolitieke onrust.’

mobile versie
Vrouwen in de wetenschap lopen nog steeds tegen het glazen plafond aan, blijkt uit onderzoek. Slechts één op de vijf hoogleraren aan de RUG is een vrouw. Onderwijsminister Jet Bussemaker stelt daarom extra geld beschikbaar. En de RUG wil dat in 2020 een kwart van de hoogleraren vrouw is. Maar het is niet alleen kommer en kwel: aan de RUG zijn genoeg voorbeelden van succesvolle vrouwen. In verschillende vakgebieden behoren zij tot de top van de wetenschap. Hoe kijken zij aan tegen wat ze hebben bereikt? Wat zijn hun doelen en idealen?
Tekst: Simone Harmsen en Anne Floor Lanting / Foto’s: Traci White

Dit is een eenvoudige versie speciaal voor mobiele weergave. De desktopversie bevat een rijk vormgegeven artikel.

Roelien Bastiaanse, hoogleraar neurolinguïstiek, 61 jaar

‘Balans tussen plezier hebben en goed zijn in wat je doet’

Roelien Bastiaanse is al jaren een belangrijke spil bij de opleiding Taalwetenschap. Toch is het min of meer toeval dat ze op die plek terecht kwam. ‘Ik heb nooit een universitaire carrière geambieerd. Na mijn afstuderen werkte ik zeven jaar in een revalidatiekliniek voor afasiepatiënten toen ik door Frans Zwarts (toenmalig hoogleraar taalwetenschap en oud rector magnificus, red.) een baan aangeboden kreeg aan de RUG. Om bij de RUG aan de slag te mogen gaan, moest ik eerst promoveren.’

Haar interesse in afasie, een taalstoornis die optreedt na hersenletsel, ontstond tijdens haar studie linguïstiek in Amsterdam. ‘Ik had een bevlogen docent die college gaf over het onderwerp. Daarvoor had ik nog nooit van afasie gehoord. Maar vanaf zijn eerste college wist ik: hier ga ik me mee bezighouden.’

Van al haar wetenschappelijke prestaties is Bastiaanse het meest trots op de invloed die ze heeft kunnen uitoefenen op hoe openhersenoperaties uitgevoerd worden. ‘Voorheen werden patiënten tijdens wakkere hersenoperaties alleen getest op het gebruik van zelfstandig naamwoorden, maar samen met mijn collega’s heb ik aan kunnen tonen dat werkwoorden ook in deze tests moeten worden meegenomen om te voorkomen dat essentiële hersengebieden worden weggesneden.’

Hoewel ze beaamt dat haar collega’s en vrienden haar als zeer ambitieus omschrijven, benadrukt ze dat haar carrière niet alleen gaat om wat ze zelf bereikt heeft. ‘Ik vind het heel mooi dat ik mijn internationale promovendi kan helpen zodat ze in hun thuisland hun eigen carrière op kunnen bouwen. Met hen houd ik een levenlang contact. Dat is me erg dierbaar, de waardering die ik krijg als hun begeleider ook’, zegt ze met een warme glimlach.

Ze vindt dat ze de mooiste baan heeft die er bestaat, maar voor haar is het hoogleraarschap nooit het ultieme doel geweest. ‘De echte kroon op je werk is een goede balans tussen plezier halen uit je werk en goed zijn in wat je doet.’ En als iemand echt goed is in wat die doet, komt die persoon vanzelf bovendrijven, lijkt haar overtuiging. ‘Een positie als hoogleraar moet naar de beste kandidaat, of dat nou een man of een vrouw is.’

‘De persoon op dit zelfportret, Ron van Zonneveld, is van grote invloed geweest op mijn wetenschappelijke carrière. Hij was de theoretisch taalkundige en ik de neurolinguïst. Samen hebben we veel onderzoek gedaan, waarbij hij de theorieën aandroeg en ik de experimenten deed. Daar zijn mijn mooiste artikelen uit voortgekomen. Van collega werd hij vriend, van vriend werd hij echtgenoot, dus in alle opzichten is hij de belangrijkste persoon in mijn leven geweest.’

Marjo Buitelaar, hoogleraar hedendaagse islam, 58 jaar

‘Het beeld van de hoogleraar is nog altijd dat van een man’

Marjo Buitelaar is sinds september 2016 hoogleraar aan de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap. Momenteel leidt ze een door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerd onderzoeksproject naar de bedevaart naar Mekka. Een verhuizing van haar ouders naar Saoedi -Arabië toen ze eerstejaarsstudente antropologie was, legde de kiem voor haar interesse voor de islam.

‘Toen ik daar voor het eerst op bezoek ging, werd ik gegrepen door het Arabisch. Terug in Nederland ben ik er dus voor de lol Arabisch bij gaan doen’, vertelt Buitelaar. Het bracht haar uiteindelijk naar Marokko voor veldonderzoek naar hammâms (badhuis voor vrouwen), waar ze later terug kwam voor haar promotieonderzoek naar de ramadan.

Een van haar voornaamste doelen als hoogleraar is om met haar onderzoek bij te dragen aan een adequate informatievoorziening over moslims. ‘Ik vind het jammer dat er zo’n eenzijdig beeld bestaat over de islam. Dit is natuurlijk de laatste jaren alleen maar erger geworden, de associatie met geweld, vrouwenonderdrukking en terrorisme. Hiermee doe je de meeste moslims geen recht en bovendien verhinder je de integratie van moslims in Nederland, want dat moet van twee kanten komen’, zegt ze.

De hoogleraar is bedachtzaam, regelmatig laat ze pauzes vallen om haar woorden zorgvuldig te kiezen. Over de wetenschappelijke prestatie waarop ze het meest trots is, moet ze ook even nadenken. ‘Al het onderzoek dat ik heb gedaan, daar heb ik zowel over gepubliceerd in wetenschappelijke publicaties als in publieksgerichte Nederlandstalig publicaties’, vertelt ze wijzend naar de boekenkast in haar werkkamer waarin onder andere haar populair wetenschappelijke boek over de ramadan staat.

Over de positie van vrouwen in de wetenschap is Buitelaar duidelijk. ‘Ik denk niet dat mannen en vrouwen generiek een andere stijl hebben van hoogleraar zijn, maar niet zelden zie je wel andere accenten. Toch is het beeld van de hoogleraar nog altijd dat van een man. Dat is dan bewust of onbewust ook de norm waarnaar gezocht wordt. Wel denk ik dat het beeld langzaamaan aan het veranderen is. Op onze faculteit zou een mannelijk hoogleraar die de binnenplaats oprijdt op de bakfiets waarin hij zojuist zijn kinderen naar school bracht twintig jaar geleden ondenkbaar zijn geweest.’

‘Op de mok staat op I love Mekka. Er zijn tal van varianten op I love… De mok is een mooi voorbeeld van hoe religieuze gevoelens, betekenissen en praktijken mede vorm krijgen door cultuur en dus veranderen. De mok illustreert meer specifiek dat moslims nooit alleen moslim zijn. De wens om wat ze voor de islam voelen uit te drukken in een format dat wereldwijd populair is en vele varianten kent, toont aan dat de pelgrims die dit soort souvenirs kopen ‘kinderen van hun tijd’ zijn. De inbedding van religie in het dagelijks leven is mijn grote fascinatie in onderzoek.’

Cisca Wijmenga, hoogleraar humane genetica, 53 jaar

‘De guts om nieuwe dingen op te pakken’

Cisca Wijmenga behoort tot de absolute top binnen haar vakgebied. Haar huis weerspiegelt haar creativiteit en succes. Een statig herenhuis dat bescheiden, maar stijlvol en modern is ingericht. Aan de muren hangen gestileerde foto’s en de meubels zijn strak maar kleurrijk. De Spinozalaureaat doet onderzoek naar de darmziekte Coeliakie en kijkt vooral naar darmbacteriën. ‘Naast een nieuwe behandelmethode, willen we een test ontwikkelen waarmee we patiënten heel snel kunnen opsporen. Veel mensen weten namelijk niet dat ze het hebben.’

Wijmenga praat met zachte stem. ‘Wat ik leuk vind aan mijn onderzoek is het creatieve proces. Dat we samen bedenken hoe we zó iets complex gaan oplossen.’ Het gebruik van de wij-vorm en bescheiden manier van spreken typeren haar. ‘Ik geniet echt van al die jonge mensen om me heen. Uiteindelijk doen zij het werk. Ik doe niet veel meer dan dat volgen en ideeën verzinnen.’

Met een trotse glimlach: ‘We waren afgelopen week op een congres in Engeland, waar mensen van mijn groep een posterpresentatie hielden. Ik kan er zo enthousiast van worden als ik ze bezig zie. Ze stonden daar met zo veel enthousiasme.’

Samen met haar collega’s steekt ze veel energie in het ondersteunen van haar pupillen. ‘Voor een presentatie laten we ze zeven keer oefenen, voor de hele vakgroep. Als je het verschil tussen de eerste en laatste keer ziet! Het is leuk om te zien hoe mensen groeien in hun vak.’

Dankzij haar vele prestigieuze beurzen heeft Wijmenga veel ruimte gehad om innovatief onderzoek te doen. Een mogelijkheid die volgens haar alle wetenschappers zouden moeten krijgen. ‘Als je in Nederland je nek té ver uitsteekt, wordt je kop eraf gehakt.’

Ze houdt er niet van de gebaande paden te bewandelen. ‘Toen we vijf jaar geleden het onderzoek naar darmflora oppakten, hadden we geen kennis van zaken. Nu worden twee vrouwen van mijn groep gezien als echte autoriteit op dit gebied. Ik ben trots dat wij de guts hebben om nieuwe dingen op te pakken.’

‘Deze foto van mijn vakgroep is genomen tijdens de uitreiking van de Spinozaprijs. Ik wilde ze er per se bij hebben; ze zijn mijn inspiratie.’

Marthe Walvoort, assistent-hoogleraar chemische biologie, 33 jaar

‘Ik voel me geen excuustruus!’

Toen Marthe Walvoort op de middelbare school zat, had niemand durven denken dat ze het later zou schoppen tot assistent hoogleraar in de chemie. ‘Ik snapte echt niet veel van scheikunde. Dat frustreerde me zo. Ik wilde gewoon weten hoe het werkt’, legt de goedlachse onderzoekster uit. ‘Ik had toen een hele leuke jongen die me bijles gaf. Hij was scheikundestudent en kon zó bevlogen vertellen. Toen ben ik ook scheikunde gaan studeren.’

Op het whiteboard in haar werkkamer prijken de structuurformules van verschillende suikers – haar passie. Tijdens een half jaar studie in Oxford maakte ze kennis met de wondere wereld van de suikermoleculen. ‘Ik had daar een hele gedreven professor en was erg onder de indruk van zijn onderzoek. Zijn fascinatie voor de chemie van suikermoleculen was aanstekelijk.’

Wat er zo leuk is aan suikermoleculen? Met een lach van oor tot oor: ‘Ze lijken heel simpel, maar in al hun eenvoud komen ze in de natuur voor in erg complexe structuren. Dit in tegenstelling tot andere stoffen, zoals aminozuren, die alleen als rechte ketens voorkomen. Dit maakt het voor een chemicus een uitdaging om suikers na te maken.’

Walvoort werkte na haar promotie in Leiden drie jaar als postdoc aan Massachusetts Institute of Technology (MIT). Een heel leerzame ervaring. ‘Onderzoek heeft een hoog aanzien in de Verenigde Staten en veel mensen op MIT zijn enorm gedreven. De werkdruk was erg hoog, waardoor je dus wel heel veel ervaring opdoet. Maar er is weinig ruimte voor andere dingen. Hier aan de RUG zijn mensen ook gedreven maar relaxter. Er is meer dan alleen werk. In de vakgroep bij MIT was ik de eerste vrouw die zwanger was. Hier op de afdeling hebben meerdere mensen drie, vier kinderen: dat is leuk.’

Terug in Nederland ging ze met een Rosalind Franklin fellowship aan de slag bij de RUG. ‘Toen ik terug kwam uit de VS waren er niet zo veel plekken. Zonder dat fellowship had ik hier niet gezeten, en was ik misschien wel de wetenschap uit gegaan. Maar ik voel me geen excuustruus! Om die plek te krijgen moet je gewoon goed zijn.’

Sinds november 2015 heeft Walvoort haar eigen lab in de Linnaeusborg, waar ze op dit moment samen met twee PhD’s, een postdoc en drie studenten onderzoek doet. ‘Ik vind het heel erg leuk om studenten en PhD’s te begeleiden – ze het licht te laten zien. Succes betekent voor mij dat de mensen in mijn groep gelukkig zijn.’

‘Dit is een 3D-model van een suikermolecuul. Het staat voor mij symbool voor de eenvoud en tegelijkertijd de complexiteit. En maakt het tastbaar.’

Dorina Buda, assistent-hoogleraar culturele geografie, 36 jaar

‘Je moet buitengewoon excellent zijn’

De van oorsprong Roemeense Dorina María Buda kwam in 2014 naar Groningen als een Rosalind Franklin fellow. Ze doet onderzoek naar tourism geography en dark tourism. ‘Ik wil weten waarom mensen reizen naar plekken van conflict en oorlog. Tegen de verwachting in reizen mensen namelijk heel veel naar conflictgebieden. De term dark tourism is een buzzword voor de media, maar ik ben vooral geïnteresseerd in emoties. Wat ervaren toeristen en locals tijdens die reizen?’

Wat ze hoopt te bereiken met haar onderzoek? ‘Heel idealistisch zou ik zeggen: wereldvrede. Maar ik ben nuchter, als ik een klein beetje kan bijdragen aan het begrip voor dit fenomeen, is dat mooi.’ Daarnaast is Buda vastbesloten het onderzoek naar toerisme op de kaart te zetten. ‘Toerisme is in Nederland beperkt tot het hbo. Maar ik hoop dat ik kan laten zien dat het meer is dan een industrie. Het is een fenomeen dat academische aandacht verdient.’

Het huis van Buda is sober ingericht: een grote bank en kleine eettafel met stoelen vullen de woonkamer. Buda werkt hard, heel hard: ‘In de vier jaar dat ik hier werk heb ik al veel papers gepubliceerd, in nationale bladen gestaan, een Veni-beurs gekregen, een boek gepubliceerd, ben in de Young Academy gekomen en heb studenten begeleid.’

Ze neemt geen blad voor de mond als het gaat om de positie van vrouwen in de wetenschap. ‘Als (internationale) vrouw haal je het niet als je gewoon goed bent, of je nu een Rosalind Franklin fellow bent of niet. Je moet buitengewoon excellent zijn: innovatief, origineel en gedreven. Volgens mij is het een mythe dat vrouwen minder ambitieus zouden zijn of minder zouden werken dan mannen.’

Als voorbeeld neemt ze de toekenning van de Veni-beurzen. ‘In het aanvraagstadium is ongeveer vijftig procent vrouw. Bij de toekenning daalt dat aandeel.’ Daar móet iets aan gebeuren, vindt Buda. ‘In Groningen zijn er naast het Rosalind Franklin fellowship verschillende initiatieven die vrouwen ondersteunen. Maar de veranderingen komen met een slakkengang.’

‘Ik zie landkaarten als accessoires die gebruikt worden bij reizen, toerisme en algehele mobiliteit. Landkaarten stellen ruimtelijke verbanden voor die de verbinding vormen tussen mensen en plaatsen. Het zijn culturele en politieke concepten. In mijn werk pluis ik toeristische en geografische concepten uit die invloed hebben op hoe we de wereld zien, meten en ervaren. Ik pleit voor een meer omvattende, emotionele en gevoelsmatige manier van de wereld kennen en voorstellen, zeker op plekken en in tijden van sociopolitieke onrust.’

English