Wetenschap

Biografie van de Beul van Amersfoort

Van sneu mannetje tot monster

Hij ging de geschiedenis in als de Beul van Amersfoort, een van de grootste oorlogsmisdadigers van Nederland. Terecht? Richard Hoving laat zien hoe kampbewaker Josef Kotalla met extreem geweld carrière kon maken.
Door Christien Boomsma

Kotalla in een bunkercel in het Amersfoortse interneringskamp   Collectie Beeldbank WO2 / NIOD

Wat hij níet wil, zegt hij nadrukkelijk, is van een oorlogsmisdadiger een slachtoffer maken. Dat risico zit erin, weet Richard Hoving. Dat je begrip kweekt, misschien zelfs sympathie opwekt, voor een man die de dood van minimaal 77 weerloze gevangenen op zijn geweten heeft.

Wat hij wel wilde: uitzoeken hoe Josef Kotalla, de Beul van Amersfoort en één van de Drie van Breda, kon uitgroeien tot de verpersoonlijking van de Duitse oorlogsmisdaden in Nederland. Wie was hij nu eigenlijk?

Zes jaar heeft het hem gekost en nu ligt De beul van Amersfoort in de winkels, de neerslag van het onderzoek waarop hij donderdag aan de RUG promoveerde. ‘Ik heb geprobeerd zijn leven met koele empathie te beschrijven’, zegt Hoving, die in het dagelijks leven journalist is bij het Algemeen Dagblad. ‘Dat is belangrijk, denk ik, als je over daders schrijft. Het is een perspectief dat inzicht biedt. Ik wilde alle lagen afpellen.’

De Kotalla-trap

Josef Kotalla was de tweede man in Kamp Amersfoort tijdens de oorlog. De man die Nederlanders in het gevangenkamp graag zo vol in de ballen trapte, dat ze dagenlang pijn leden – de Kotalla-trap, heette dat. Die zijn herdershond ophitste om gevangenen aan te vallen. Die mensen zonder aanleiding afranselde met zijn knuppel of zweep. Die vijf maal deel uitmaakte van een vuurpeloton en daarbij 77 gevangenen ter dood bracht. Die eens gevangenen dwong op hun rug op de binnenplaats te gaan liggen en urenlang over hen heen stampte, maar later stelde dat hijzelf ook een slachtoffer was geweest: hij had zijn vrije zondag moeten opofferen voor de strafexercitie.

Ik heb geprobeerd zijn leven met koele empathie te beschrijven

Het zijn bewezen feiten. Kotalla werd echt niet voor niets ter dood veroordeeld na de oorlog – een straf die eind december 1951 werd omgezet in levenslang.

Maar er worden hem ook andere dingen aangewreven. Al tijdens zijn proces werd Kotalla ervan beschuldigd dat hij de vingers van tientallen gevangenen had afgezaagd met een cirkelzaag. En hoewel de getuigenis aantoonbaar onjuist was en terzijde werd geschoven door de rechtbank, bleef het verhaal nog jaren na dato als waarheid opduiken in de pers. Meestal als ondersteuning van de claim dat het ‘monster Kotalla’ nooit, maar dan ook nooit meer vrij mocht komen.

Twijfelachtige verhalen

Er waren meer verhalen – veel zelfs – die op zijn minst twijfelachtig waren. Zoals dat van Johannes Kemperman, die vertelde dat Kotalla medeverantwoordelijk was voor de dodelijke mishandeling van een Joodse Amsterdamse wethouder. De man was in een put met water gegooid, bekogeld met bakstenen en zand en later zo hard in de buik geschopt, dat hij was gestorven. Kotalla’s schuld? ‘Het kan gebeurd zijn’, zei de rechter indertijd, maar Kotalla was toen nog maar één dag in het kamp.

En er was de beschuldiging dat hij mensen letterlijk dood had geslagen. ‘Nooit gebeurd’, hield Kotalla zelf verontwaardigd vol. Maar hij werd er wel voor veroordeeld.

Toch vond ook zijn biograaf geen enkel bewijs voor deze gebeurtenissen. Noch in de getuigenissen tijdens de rechtszaak, noch in in de archieven. ‘Het zou kunnen, natuurlijk’, zegt Hoving. ‘Het is helder dat hij ongemeen hard sloeg en schopte, maar we hebben geen enkele naam, geen enkel concreet geval.’

Hij sloeg en schopte ongemeen hard, maar er is geen bewijs dat hij iemand heeft doodgeslagen

Voor de rechter leek dat van minder belang. ‘Het paste in het beeld’, vermoedt Hoving. En de getuigen zullen in veel gevallen zelf geloofd hebben wat ze zeiden. Ze kenden Kotalla’s reputatie en voegden die samen met hun herinnering.

Voor de veroordeling maakt het niet uit, zegt Hoving. Kotalla’s aandeel in de executies – die hij bekende – was ruim voldoende voor de opgelegde doodstraf. Maar toch. Het zegt iets over de rechtspleging van net na de oorlog. ‘Daar is misschien meer op aan te merken, dan we tot nu toe dachten.’

Geen gratie

Dat wringt. Zeker als je bedenkt dat die beschuldigingen hem brandmerkten als een psychopaat die nooit meer vrij mocht komen. Ieder verzoek om gratie strandde, hoe hard politici en juristen om humanitaire redenen ook vochten tegen een levenslange straf. En dus stierf Kotalla in 1979 in gevangenschap als een zieltogende oude man.

Al die tijd was hij blijven volhouden dat zijn zware straf onterecht was en dat hij geen eerlijk proces had gehad.

Had hij dan – achteraf gezien – gelijk?

Een beetje wel en een beetje niet, denkt Hoving. ‘De Duitsers die tijdens de oorlog in Nederland werkten behoorden bepaald niet tot de elite. Het waren mensen waar iets mee was. Als je carrière wilde maken in de oorlog, dan ging je naar het front om te strijden voor de ‘goede zaak’.’

Duitsers die tijdens de oorlog in Nederland werkten, daar was iets mee

Kotalla was eigenlijk een sneu mannetje. Klein – maar 1.62 – niet erg sterk en vooral niet slim. En dan had hij op zijn negende ook nog een kroonluchter op zijn hoofd gekregen, waaraan hij een hersenbeschadiging overhield. Sindsdien vertoonde hij overdreven precies en ordelijk gedrag. Na zijn huwelijk maakte hij zelfs kartonnen sjablonen die zijn vrouw moest gebruiken om de was op te vouwen.

Zenuwinzinking

De orde en regelmaat van de SS waren eigenlijk zijn redding. Eindelijk vond hij een plek waar hij floreerde. En toen hij tijdens de oorlog als bewaker in de Scheveningse Polizeigefängnis belandde, ontdekte hij dat hij status kon ontlenen aan het gebruik van geweld tegen gevangenen.

Maar zijn verzoeken om naar het front gestuurd te worden, werden voortdurend genegeerd. Hij werd zelfs overgeplaatst naar de postafdeling van Kamp Amersfoort na een incident in Scheveningen – hij had een gevangene in zijn cel mishandeld en dat ging te ver. Hij kreeg er een zenuwinzinking, waarna hij enkele maanden werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat Kotalla verminderd toerekeningsvatbaar was, is inmiddels overduidelijk.

Anderen drukten zich, maar hij gedroeg zich beestachtig

Dus ja, een sneu geval. Maar tegelijk verre van onschuldig. ‘Hij was ook gewillig materiaal’, zegt Hoving. ‘Hij werkte hard en wist zich op te werken tot tweede man van het kamp, zelfs na die psychiatrische opname. Hij zag het gebruik van geweld tegen gevangenen als een kans om carrière te maken. Hij had het niet hoéven doen. Anderen drukten zich, maar hij gedroeg zich beestachtig.’

En ook de na-oorlogse Kotalla roept weinig sympathie op. Nog jaren na dato verschool hij zich achter Befehl ist Befehl. Hij stelde zichzelf op als slachtoffer: de mishandelingen na zijn arrestatie zouden ernstiger zijn dan alles wat hij in Kamp Amersfoort had gedaan. In een poging om aan te tonen dat hij ook goede kanten had, verwees hij naar een Joodse vrouw die hij had gearresteerd en die zich ‘lovend’ over hem zou hebben uitgelaten. En dan waren er nog de hoger geplaatste landgenoten die zwaardere misdaden hadden gepleegd, maar toch na een aantal jaren weer waren vrijgelaten.

Verkeerde paard

Toch was Kotalla inderdaad niet de grootste oorlogsmisdadiger van Nederland. Hij had zich niet actief beziggehouden met de jodenvervolgingen, was niet een van de architecten van de vernietiging. Maar hij moest wel zijn levenslange straf uitzitten. Pogingen om hem gratie te verlenen, stuitten op een muur van onwil vanuit oud-verzetsmensen en de publieke opinie.

‘Hij wedde op het verkeerde paard’, zegt Hoving. ‘Hij kon zich totaal niet inleven in de gevoelens van anderen. Elk normaal mens zou stil in een hoekje gaan zitten en zich gedeisd houden, maar in plaats daarvan bleef hij in discussie gaan. Als hij ruimhartig schuld had bekend, sorry had gezegd, dan was hij waarschijnlijk allang weer in Kleef geweest bij zijn vrouw. Maar hij begreep gewoon niet dat daar behoefte aan was.’