Wetenschap

Hoe houdt de RUG haar vrouwen binnenboord?

Tijd voor de balanstrut

De RUG werft zich een slag in de rondte voor meer vrouwen aan de top. Maar zijn de maatstaven waaraan een succesvol wetenschapper moet voldoen niet een keer aan herziening toe?
Door Thereza Langeler / Illustratie Kalle Wolters

De RUG zoekt een nieuwe rector magnificus. In de vacaturetekst staat een uitgebreid functieprofiel, maar voor Twitter koos de communicatieafdeling voor de volgende samenvatting: ‘Zij of hij vertegenwoordigt de academische gemeenschap, met de nadruk op hoogwaardig onderwijs en onderzoek.’

Als je een van de belangrijkste functies in je organisatie bij voorbaat aanduidt met zij of hij, mag het duidelijk zijn dat gelijkheid tussen man en vrouw hoog op de agenda staat. En dat staat het ook. Bestuurders krijgen training in het omgaan met onbewuste gendervooroordelen, een initiatief van de chief diversity officers die sinds 2016 in functie zijn.

In bevorderingsrondes benoemden faculteiten vrouwelijke universitair hoofddocenten (UHD’s) tot hoogleraar. En het aandeel vrouwen onder de UHD’s zelf groeit al jaren, van 22 procent in 2011 tot 35 procent nu.

Tot zover het goede nieuws.

Eind 2015 had 25 procent van alle hoogleraren vrouw moeten zijn. Het was 18 procent. Op dit moment is het 20,7 procent. Voor de nabije toekomst, eind 2020, is het doel 27 procent, maar bij ongewijzigd beleid komt er de komende twee jaar hooguit twee procent bij: dan zitten we dus nog maar op 22,7 procent.

Vooroordelen

Het gaat moeizaam, erkent letterendecaan en chief diversity officer (cdo) Gerry Wakker. ‘Als het gemakkelijk was, hadden we het probleem decennia geleden al opgelost.’ Verschillende factoren hebben het gehalte vrouwen op topposities laag gehouden, zegt ze. ‘Er zijn bijvoorbeeld een aantal vrouwen met emeritaat gegaan voor wie niet altijd een vrouwelijke opvolger was. En door unconscious bias is de aanwas nog steeds meer mannelijk dan vrouwelijk.’

Unconscious bias – onbewuste vooroordelen – zie je bijvoorbeeld in het feit dat een willekeurige voorbijganger het begrip ‘hoogleraar’ desgevraagd waarschijnlijk zou omschrijven als een grijze, wijze, witte man. Of in de neiging van selectiecommissies om het niet erg te vinden als een mannelijke kandidaat niet aan alle vacature-eisen voldoet (kansen voor ontwikkeling!), terwijl een vrouwelijke kandidaat daar vaak op afvalt (straks kan ze het niet aan!). Of in de automatische waardering van sterk leiderschap in mannen, terwijl een kordaat optredende vrouw als ‘bitch’ gezien wordt.

Vandaar dat Wakker en haar collega-cdo Jasper Knoester (decaan van de Faculty of Science and Engineering) voor unconscious bias-trainingen zorgden. Ook creëerden ze richtlijnen voor zo evenwichtig mogelijke selectieprocedures, waarbij vrouwen en mannen echt evenveel kans maken.

Blijft de vraag: haalt de RUG de eerstvolgende deadline op 31 december 2020, 27 procent van alle hoogleraren vrouw? Wakker denkt even na. ‘Ik weet niet of we het echt op die éénendertigste halen. Maar we komen er denk ik wel dicht bij in de buurt.’

30 procent groei

Leden van de universiteitsraad zagen het minder rooskleurig in toen ze de kwestie in november bespraken. Personeelsfractielid en statisticus Casper Albers rekende voor dat, om het streefcijfer te bereiken, het aandeel vrouwen onder de hoogleraren in iets meer dan twee jaar met meer dan 30 procent moet groeien. ‘Dat stemt niet hoopvol.’

Er zijn plannen voor een nieuwe call voor twintig Rosalind Franklin Fellows en een bevorderingsronde voor vrouwen die geen tenure track-aanstelling hebben, maar wel in aanmerking komen voor een hoogleraarspositie. ‘We moeten goed nadenken over ons aannamebeleid’, merkte rector magnificus Elmer Sterken op. ‘Het allerbelangrijkste moment is dat we mensen binnenhalen. Daar moeten we veel meer werk van maken.’

 RUG moet zich richten op vrouwen behouden

Werk maken van werving is natuurlijk nooit weg. Maar is het echt het allerbelangrijkste? Rocio Aguilar Suarez weet het zo net nog niet. ‘De actie die de RUG onderneemt, is vooral gefocust op het aantrekken van vrouwen, maar niet op hen behouden’, viel Aguilar Suarez op, die behalve promovenda bij microbiologie ook lid is van de Personeelsfractie in de u-raad.

Raadsgenoot Nikolai Petkov van de Wetenschapsfractie vroeg zich af of de maatstaven waaraan een succesvol wetenschapper moet voldoen aan herziening toe zijn. Zijn eigen dochter begon aan een wetenschappelijke carrière, vertelde hij, ze schopte het tot universitair docent… en verruilde de academie voor het bedrijfsleven. Dat was namelijk wel te combineren met haar gezin. Op de universiteit bezweek ze onder de werkdruk. Petkov: ‘Als veel vrouwen daar tegenaan lopen, moet je dat dan niet eens oplossen?’

Opschepperscultuurtje

Ellen Nollen kwam in 2007 als eerste Rosalind Franklin Fellow bij de medische faculteit terecht. Zij hield het wel vol, de weg omhoog van UD, via UHD naar hoogleraar, met tegelijk een gezin thuis. ‘Maar ik haal niet de Champions League’, vindt ze zelf. ‘Daar heb ik wel eens buikpijn van.’

Vervelend was bijvoorbeeld de afwijzing voor een prestigieuze Vici-beurs, vorig jaar. ‘Iemand van de selectiecommissie vond iets onduidelijk aan mijn voorstel. “Dan heb ik dat niet goed genoeg opgeschreven”, reageerde ik.’ In het afwijzingstelefoontje werd er teruggegrepen op die opmerking. ‘Ik had dat niet moeten zeggen, vond de commissie, ik had niet moeten toegeven dat ik iets niet helemaal goed had gedaan.’

Wetenschap kent een opschepperscultuurtje waar Nollen hoe langer hoe meer moeite mee heeft. Je moet jezelf als onderzoeker verkopen, aan bestuurders, aan selectiecommissies en beurzenverstrekkers. Je moet weinig anders met je leven willen doen dan werken, publiceren, promotie maken, prijzen winnen, congressen afhollen, en van dat alles vooral heel veel.

Rolmodel

Zelf bezoekt Nollen per jaar maar een congres of twee. Waar veel van haar mannelijke collega’s iedere uitnodiging accepteren, doet zij dat bewust niet. Het zou wel kunnen, maar het zou een onbeschrijflijk logistiek gedoe zijn, met een partner die óók werkt en kinderen die oppas nodig hebben.

Maar ja – ga je niet op alle uitnodigingen in, dan kun je maar een beperkt aantal invited talks op je CV noteren. En dat kan bij een beursaanvraag de balans net in je nadeel doen doorslaan. Soms voelt Nollen zich heen en weer geslingerd, zegt ze: enerzijds is ze ervan overtuigd dat ze werk en privé in balans wil houden, móét houden, om een rolmodel te zijn. ‘Terwijl mijn kwaliteitslat voor onderzoek ook hoog ligt. Hoe hoger ik kom, hoe meer mijn manier van werken zich wreekt. Omdat er bij funding naar mijn idee vooral en steeds meer op veel medailles wordt gelet.’

Om hulp vragen wordt als zwakte gezien

‘In het algemeen zijn mensen steeds bewuster bezig met keuzes maken: wat vind ik nou echt belangrijk, waar steek ik mijn tijd in?’ merkt Selma van Dijk, die als loopbaan- en leiderschapscoach vaak met RUG-medewerkers te maken heeft, onder wie ook veel Rosalind Franklin Fellows.

Vrouwen lijken in haar ervaring extra hard te moeten werken om zichtbaar te worden en erkenning te krijgen. Ook worstelen ze met de vraag hoe ze hun tijd en aandacht moeten verdelen over de vele terreinen van hun leven. ‘Daar krijgen ze op de universiteit lang niet altijd begeleiding bij.’

En dat terwijl juist raad en daad van collega’s en leidinggevenden enorm kan helpen. ‘Er heerst een overtuiging dat je pas om hulp vraagt als het echt niet anders kan, als je bijna bezwijkt. Het wordt als een teken van zwakte gezien.’ Doodzonde, vindt Van Dijk, want op deze manier zullen getalenteerde vrouwen blijven afhaken, én mannen in dezelfde situatie zitten.

De balanstrut

Van Dijk prijst het initiatief voor unconscious bias-trainingen. ‘Er is nog steeds veel stereotypering.’ Maar ze benadrukt dat er meer moet gebeuren. ‘Wil je echt vrouwen, en wil je dat ze blijven? Dan moet je je ook afvragen hoe je je werkcultuur vormgeeft.’

Jojanneke Bastiaansen, psychiatrisch onderzoeker bij de RUG en de GGZ Friesland, freelanceschrijver en moeder van een kind van één jaar, hoorde afgelopen december een typisch december-nieuwsitem: Van Dale op zoek naar het Woord van het Jaar. Op de shortlist stonden termen als blokkeerfries, vliegschaamte, testosterontweets en: balanstrutje; een werkende vrouw die te veel bezig is met de balans tussen werk en privé om de top te kunnen bereiken.

‘Mijn haren stonden recht overeind’, zegt Bastiaansen. ‘Het klinkt echt als een vies woord, iets wat je niet moet willen zijn.’ Die insteek is helemaal verkeerd,’ vindt ze. ‘We zijn allemaal méér dan alleen werknemers en we hebben allemaal ook rust nodig.’

Bastiaansen schreef een blog waarin ze het opneemt voor de balanstrut. ‘Het is tijd voor een coming-out van balanstrutten (m/v): rolmodellen die laten zien dat het ook anders kan. Dat je goed werk kan leveren én een gezin kan hebben, trompet spelen, op spitzen dansen, series bingewatchen. Stimuleer jonge onderzoekers hun eigen balans te zoeken.’

Inklokken

Als promovenda zag ze dat soort rolmodellen eigenlijk niet. ‘De neurohoek zat vol mannen die niet anders deden dan werken. Ik dacht wel eens: waar zijn de normale mensen gebleven?’ De balans moet ook niet naar de andere kant doorslaan, relativeert ze: ‘We zijn hier natuurlijk wel om goed werk te leveren. Maar het zou moeten gaan om de kwaliteit van je onderzoek, en niet om zoveel mogelijk uren inklokken in de publicatiefabriek.’

Balanstrutten tonen dat het anders kan

Diversiteitsaanjager Wakker erkent dat de criteria voor wetenschappelijk succes ‘nu wel erg masculien’ zijn. Wat rector Sterken betreft zou de universiteit ‘meer moeten kijken naar het waarderen van kwaliteit in plaats van kwantiteit’.

Dat is in lijn met wat De Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) onlangs besloot. Die schrapte ‘productiviteit’ als criterium uit haar onderzoeksevaluatieprotocol, want: ‘Meer is niet beter. Kwaliteit en impact van wetenschappelijk onderzoek moeten leidend zijn.’

Wetenschapsfinancier NWO ziet de noodzaak tot aanpassing en breidde vorig jaar de zogenaamde extensieregel uit: nu krijgen ook vaders en adoptieouders langer de tijd om een voorstel in te dienen voor een Veni-beurs.

Klein beginnen

Het begin is er, zo lijkt het. ‘Maar je hebt het over een cultuurverandering en dat duurt altijd lang’, zegt coach Selma van Dijk. ‘Zeker in een grote organisatie. Een instelling die zo groot is als de RUG, is een soort olietanker: het duurt wel even voor je die de bocht om hebt.’

Het kan wel; daar is ze van overtuigd. ‘Het belangrijkste is dat de vrouwen in de wetenschap blijven en niet afhaken als het lastig wordt, maar een oplossing vinden voor wat er zo lastig is, en dat ze elkaar helpen.’

‘Het is een zaak van lange adem en klein beginnen’, denkt ook Jojanneke Bastiaansen. ‘Ik probeer bijvoorbeeld een beetje stil te staan bij mijn eigen uitstraling. Als ik constant koortsachtig rond hol en klaag dat ik het te druk heb, wat draag ik dan uit naar mensen die nu bezig zijn met promoveren?’

Na klein beginnen, wil Bastiaansen dan ook groot eindigen? ‘Het blijft wel een strijd, als je ambities hebt en het ook een beetje leuk wilt houden.’ Ze denkt na. ‘Zou het echt kunnen dat je bijvoorbeeld een hoogleraarschap parttime doet? Of in een duobaan?’

In de functieomschrijving van de nieuwe rector staat niets over uren of fte’s. Maar de kans dat zij/hij straks werkweken van een uur of tachtig maakt, is vrij groot.

English