Huisvesting

Rafel Fernandez bivakkeert op de ACLO

Dagboek uit het tentenkamp

Hoe is het leven in het ACLO-tentenkamp voor internationals? Masterstudent Rafel Fernandez was nieuwsgierig en besloot het zelf te ondervinden.
Door Rafel Fernandez

Dag 1

27 augustus

Ik ben de eerste student die aankomt op het tentenkamp dat de universiteit op Zernike heeft opgezet. Het is bij studentensportcentrum ACLO. Zodra ik er aankom, voel ik me niet op mijn gemak. Iedereen loopt met een vochtige handdoek om z’n nek, bezweet van het sporten. Ze kijken naar me; door de zware backpack op mijn rug, met daarin al mijn bezittingen, zie ik eruit als een kampeerder.

Dan komt er een vrouw naar me toe die, zo blijkt, verantwoordelijk is voor het tentenkamp. Ze lacht. Ze leidt me naar de tenten, terwijl ze verontschuldigend zegt: ‘Het is wat het is, niet echt luxe. Verwacht er niet te veel van.’ Als ik vraag of ze voor de ACLO werkt, zegt ze ‘nee’.

Ze heeft alleen de opdracht gekregen om dit kamp op te zetten. Ze lacht weer. ‘Het komt wel goed’. Volgens mij geloven we het allebei niet.

Het tentenkamp bestaat uit drie grote, witte, militaire tenten. Mijn eerste indruk is dat dit onderkomen geen 87,50 euro per week waard is – en ik heb op heel veel ‘niet echt luxe’ plekken gewoond.

Dakloos

Ik ben al een paar keer dakloos geweest. De eerste keer was in Bristol (Engeland), waar ik zes maanden in een hostel woonde, omdat ik me de huur voor een kamer niet kon veroorloven. Eerlijk gezegd waren die omstandigheden stukken beter: voor 70 pond per week kreeg je een bed en toegang tot de keukenfaciliteitein. De tweede keer was begin dit jaar, toen ik naar Groningen verhuisde om aan de RUG met mijn master te beginnen. Er was toen geen tentenkamp.

Ik ben naar het tentenkamp gegaan uit nieuwsgierigheid naar de studenten, en hoe ze het ervaren om tijdens hun eerste, drukke semester dakloos te zijn. Ook wil ik het zelf meemaken, zodat ik mijn eigen ervaring met jullie kan delen.

Mijn gids doorloopt vlug een lijst met regels. Daarna laat ze me alleen. Daar sta ik dan, middenin een lege tent, met als enige gezelschap dertig spartaanse bedden en een sluimerend gevoel van verlatenheid.

Vijf minuten later komt er een jongen binnen, lang en gebruind. Hij heet Andy; hij is half Spaans, half Deens, begin twintig, en gaat kunstgeschiedenis studeren aan de RUG. Het is zijn eerste dag in Groningen, maar hij ziet er niet erg opgewekt uit.

Onwerkelijk

We maken een wandeling langs de faciliteiten van de ACLO. ‘Onwerkelijk hè? Een tentenkamp voor dakloze studenten’, zegt hij verwonderd, alsof hij niet helemaal begrijpt hoe hij hier nu weer terecht gekomen is.

Doelloos dwalen we langs wat mensen die op hun Pilatesles staan te wachten. Ze zien er uitgerust uit en maken zich geen zorgen over een slaapplek voor vanavond. Andy zegt dat hij, behalve de ACLO, verder nog niets van Groningen heeft gezien.

Op onze weg terug naar de tent worden we door een onbekende aangesproken. Het is een journalist. Al de hele dag word ik achtervolgd door journalisten die me willen filmen en interviewen, maar ik heb het steeds afgehouden. Nu begrijp ik waarom Andy twijfelde of hij antwoord zou geven toen ik hem vroeg hoe het is om een dakloze internationale student te zijn. ‘Je bent vandaag al de derde die het vraagt.’

Onder druk

Je voelt je onder druk gezet wanneer ze – of misschien moet ik zeggen ‘we’, inclusief ikzelf – naar je toe komen en je willen interviewen. Je houdt je gevoel en gedachten liever voor jezelf, in plaats van het erover te hebben met een willekeurige persoon die heeft staan wachten tot je uit je tent komt, met pen en papier in de aanslag. Weer iemand die je eigenlijk niet kan helpen.

Net toen ik dacht dat Andy en ik vannacht de enige twee in de tent zouden zijn, komt Mehdi binnen. Hij is een vrolijke jongen uit Dubai, die in zijn derde en laatste jaar van chemische technologie zit, aan de Hanzehogeschool.

Hij begroet me met een brede lach. Niets kan hem van zijn stuk brengen. Om het vooruitzicht van de komende zeven dagen – of langer – zonder privacy in een tent te moeten doorbrengen, kan hij alleen maar lachen. Zijn positiviteit werkt aanstekelijk.

Dag 2

28 augustus

Mehdi staat om vijf uur op, voor de eerste van zijn vier dagelijkse gebeden. Hij is er zo aan gewend om op dit uur op te staan, dat hij geen wekker hoeft te zetten. Hij gaat even naar buiten en komt vijf minuten later weer terug, om verder te slapen – terwijl ik zelf wakker lig in het vroege ochtendlicht, tot iedereen rond negen uur wakker wordt. Niemand heeft goed geslapen. Het was koud vannacht, en het dunne tentzeil flapperde en kraakte in de wind.

De tenten vormen een vreemd beeld temidden van het voetbalveld en het sportcentrum; als grote witte vlaggen staan ze te wapperen, alsof ze zich willen overgeven. Ze staan in groot contrast met de moderne en futuristische Zernike campus. Als ik met Mehdi op onderzoek uit ga, worden we verrast door het prachtige, moderne ontwerp van het complex, en de indrukwekkende ingang van een van de gebouwen.

Maar wat nog het meest opvalt, is het verschil tussen al die allure en de sombere, aftandse gevangenis waar de net gearriveerde studenten in gezet worden. Mehdi heeft gelijk: het woord ‘onwerkelijk’ is de beste omschrijving voor dit akelige contrast.

Goed nieuws

Maar, sinds hij in Groningen is gearriveerd, krijgt Mehdi vandaag voor het eerst goed nieuws: hij mag zich inschrijven bij de gemeente, met het adres van het tentenkamp.

Salim, onze nieuwe tentgenoot, is ook blij: het is hem zojuist gelukt om een van de appartementen op het Suikerfabriekterrein te bemachtigen. ‘Ik hoop wel dat ik volgende week een beter tijdelijk onderkomen kan vinden, tot ik in het appartement kan.’

We vieren deze bescheiden overwinningen in de kantine van het sportcomplex, omgeven door tennis- en volleybalvelden, vol met studenten. ‘Ik ben niet zo van het sporten, maar als ik deze mensen zo lekker bezig zie in hun vrije tijd, zonder zich zorgen te maken over huisvesting? Dan krijg ik ook zin in om ermee te beginnen’, verzucht hij.

Dag 3

29 augustus

Naarmate het aantal studenten in het tentenkamp langzaam groeit, neemt ook het gevoel van eensgezindheid toe. Na een gemoedelijke ochtend in de tent met hete koffie, gebracht door het personeel van de ACLO, begeven we ons met z’n allen naar de kantine om te ontbijten.

Iedereen zit een beetje te klagen over de koude nacht. ‘Ik stond op het punt om mijn deken mee te nemen en in de douches te gaan slapen’, grapt de nieuwe jongen uit Griekenland, Pelopidas.

‘Wat als het gaat regenen?’, vraagt hij. Het is een terechte vraag – dagelijks zijn er windvlagen die plotseling door de tent waaien, waardoor de tent ruw heen en weer wordt geschud. We vragen ons allemaal af of de tenten sterk genoeg zijn om de regen tegen te houden.

Klaar mee

Het tentenkamp staat er nog maar drie dagen, maar de studenten zijn er al helemaal klaar mee. Iedereen hoopt zo snel mogelijk fatsoenlijke huisvesting te vinden.

Andy verwacht dat hij hier over een paar dagen weg is. Hij had geluk: via Lefier heeft hij een kamer gevonden. ‘Ik weet het nog niet zeker, maar ik denk dat ik het huurcontract vandaag of morgen kan tekenen en dan de sleutel krijg.’ Iedereen is blij voor hem.

Na het ontbijt gaan de meeste tentbewoners naar het centrum voor bezichtigingen, of om zich te registreren bij de universiteit. Ze hebben geen idee wat ze te wachten staat, maar het kan alleen maar beter worden. Ze zijn vastberaden om hun humeur niet te laten overschaduwen door de zoektocht naar huisvesting. Pelopidas grijnst en probeert ons te motiveren. ‘Kom op jongens, we gaan, we hebben geen tijd te verliezen.’

Overpeinzingen van een tentbewoner

Gedurende de drie dagen die ik in het kamp doorbracht, waren er veel verschillende reacties op deze ‘oplossing’: sommige mensen waren simpelweg dankbaar dat ze een slaapplaats hadden, anderen waren teleurgesteld en voelden zich geïsoleerd door de universiteit.

Ik zou zeggen, een tent aan de rand van de stad is geen oplossing voor nieuwe, net gearriveerde studenten. Zelfs niet tijdelijk. Dit is het soort oplossing waar een universiteit mee komt als de nadruk vooral op ‘academische scholing’ wordt gelegd, zoals Pieter Polhuis het vorige week formuleerde. Zo’n naar binnen gerichte focus betekent: geen oog voor de problemen buiten de muren van de faculteit.

Als de RUG internationale studenten wil blijven aantrekken, moet die focus verlegd worden. Ik heb geen definitieve oplossing voor het huisvestingsprobleem, maar een ding is duidelijk: het maakt niet uit hoeveel tijdelijke onderkomens de universiteit ieder jaar biedt, de huisvestingscrisis zal niet opgelost worden als de universiteit geen aandacht gaat geven aan alle aspecten van het studentenleven.

English