Studenten

De zieltogende studentenzweefvliegclub

Eén vliegtuig, twee leden (50+)

De twee laatst overgebleven leden van de Groninger Studenten Aeroclub hebben hun studententijd al lang achter zich gelaten. Ze hopen op jonge aanwas van enthousiaste zweefvliegers.
Door René Hoogschagen en Remco van Veluwen

Een langgerekt weiland is het. Redelijk vlak, maar toch, een weiland. Je zou er eigenlijk koeien verwachten. Maar vandaag zijn hier 23 kleine zweefvliegtuigen en zo’n honderd zweefvliegfanaten te zien. De kisten liggen te wachten tot ze een voor een de lucht in worden getrokken, soms met een schreeuw van vreugde van de piloot.

Henri van Balen, ooit rechtenstudent aan de RUG, loopt over het vliegveld van Zweefvliegcentrum Noordkop in de Wieringermeer. Hij lijkt een beetje op prins Bernhard, maar dan zonder het accent. Pilotenbril, sproeten, keurig taalgebruik. Naast hem loopt Henk Stokhorst, RUG-student in de jaren tachtig. Ze zijn de enige overgebleven leden van de ooit zo bloeiende Groninger Studenten Aeroclub (GSA).

En eigenlijk is dát nog te rooskleurig gesteld. Van Balen en Stokhorst zijn lid van de oud-ledenvereniging van de GSA. De GSA zelf, opgericht in 1975, heeft geen enkel lid meer. Maar dit weekend komt daar misschien verandering in. Er komt een aspirant-lid langs.

Hoogtijdagen

In de jaren tachtig, toen Stokhorst erbij kwam, was het heel anders gesteld met de GSA. Studenten kregen nog een ruime lening en veel tijd om af te studeren. De vereniging piekte.

‘Er was een kern van veertig, vijftig vaste vliegers en daaromheen belangstellende leden die van tijd tot tijd ook wel eens vlogen’, vertelt Van Balen.

Het was een periode vol avonturen en gezelligheid. Elk weekend ging de GSA naar het Duitse Surwold. ‘In Nederland was het lastig een eigen vliegveld te beginnen’, memoreert Van Balen. ‘We gingen naar Surwold om het veld daar te verkennen en het bestuur vertelde dat ze een instructeur hadden die Rotterdam nog gebombardeerd had. Ene Klaassens. Ze vonden dat zij als wiedergutmachung zo’n studentenclub wel moesten opnemen.’

In die hoogtijdagen organiseerde de vereniging vaak kampen in Frankrijk. ‘Een belangrijke financiële kurk waar de vereniging op dreef’, zegt Van Balen. De omstandigheden waren daar uitdagender voor zweefvliegen dan in Nederland. ‘In de Alpen is het een kunst apart om op kaarten aan te geven waar je door thermiek het beste kunt stijgen.’

Nu heeft de club vrijwel niets meer. Geen veld, geen lier en slechts één vliegtuig

De omslag kwam rond het jaar 2000. Een van de leden richtte zelf een zweefvliegclub op en nam de lier, een motor met een lange kabel waaraan het vliegtuigje de lucht in getrokken wordt, met zich mee. De GSA kon geen eigen kampen meer organiseren. Het ledenaantal daalde en daalde.

Nu heeft de club vrijwel niets meer. Geen eigen veld, geen lier en slechts één vliegtuig. Het logo van de RUG met het getal 395 erachter herinnert nog aan het lustrum van tien jaar geleden. Van Balen en Stokhorst moeten aanhaken bij andere verenigingen, zoals vandaag bij de Vereniging Historische Zweefvliegtuigen.

Vers bloed

Wanneer het aspirant-lid daadwerkelijk lid wordt, is de club in ieder geval weer met z’n drieën. Maar hoe kan de GSA opnieuw een hoge vlucht nemen? ‘Henk Stokhorst is lid van een scoutingvereniging, we hopen dat hij daar nog iets vandaan kan halen’, zegt Van Balen. ‘Mijn jongste dochter vliegt dus, en mijn oudste kleinzoon vindt het hartstikke leuk. Maar die is nog maar acht, dus hij moet nog minstens zeven jaar wachten.’

Van Balen heeft geen actieve band meer met de universiteit en heeft naast het werk voor zijn advocatenkantoor weinig tijd over. Dat maakt het werven van leden lastig voor hem. Na twee jaar voorzitterschap en een razend actief verenigingsleven valt hem ook weinig te verwijten. Het is tijd voor vers bloed. ‘De volgende generaties mogen het nu overnemen.’

Helemaal zonder hulp hoeft dat natuurlijk niet. ‘Wij kunnen af en toe in het weekend nog wel vliegen en instructies geven’, zegt Van Balen bereidwillig. ‘Ik zou het plezierig vinden als er weer meer mensen lid zouden worden.’

Het stijgen en landen gaat als in een achtbaan. Snel en plotseling. Maar bovenin is er alleen de zon, de wind en het vliegtuig. Van Balen neuriet vrolijk en legt af en toe iets uit over de apparatuur, de thermiek, de omgeving. Hij is duidelijk in zijn nopjes, hierboven. ‘De vrijheid, de weidsheid van het landschap, dat vind ik zo mooi’, zegt hij.

Mindere momenten: als het vliegtuig in warme opstijgende lucht terecht komt en een duw omhoog krijgt, of als Van Balen ineens een bocht neemt. Het voelt alsof je te snel over een verkeersheuvel, door een bocht of onder een aquaduct door rijdt. De wagenzieke schoonzoon van Van Balen blijft wijselijk beneden als hij dat hoort.

‘Als je zelf vliegt, is dat gevoel minder’, sust Stokhorst. ‘En op een gegeven moment leer je de lucht te lezen. Net als een kapitein de golven kan lezen en daarop anticipeert.’ De dochter van Van Balen gaat wel mee omhoog. Een kwartiertje later – de thermiek was niet zo best – kom ze blij weer terug. ‘Ik ben vijftien jaar geleden voor het laatst meegeweest. Leuk, hoor.’

Bij optimale thermiek kan een vlucht uren duren. ‘Het langste dat ik ooit heb gevlogen is elf uur’, vertelt Van Balen. ‘Ik heb ook wel eens het zweefvliegduurrecord in Zuid-Frankrijk gehad. Toen kwam ik ontzettend hoog door het gunstige landschap. Dat is heel bijzonder, dat je grote verkeersvliegtuigen onder je door ziet vliegen. Zoiets had ik nog nooit vanuit een zweefvliegtuig gezien.’

English