Wetenschap

De relatie tussen Alzheimer & down

Stiekem dement

Zeventig procent van de mensen met downsyndroom krijgt alzheimer. Maar hoe herken je de ziekte bij mensen bij wie leren en onthouden toch al niet de sterkste punten zijn?
Door Christien Boomsma / Foto Jaap Dekker

Ze heette Gea en hij kende haar al sinds zijn babytijd. Ze werkte in het Theehuis bij het Zalkerveer, een dagbestedingsproject voor mensen met een verstandelijke beperking. Ze had een nauwe band met zijn moeder en was – na zijn ouders – degene die hem als baby het meeste vasthield. Ze troostte hem als hij huilde. Verdedigde als iemand hem te na kwam.

Ze had ook het syndroom van Down.

‘Het veer en het theehuis werden gerund door mijn ouders’, vertelt hersenonderzoeker Alain Dekker. ‘We woonden in het oude veerhuis. De cliënten werkten in het naastgelegen Theehuis, en waren een soort familie. Als ik jarig was, stonden ze zo in mijn slaapkamer.’

Enorm angstig

Toen Dekker in Groningen ging studeren, bleef hij terugkeren. Ieder weekend, elke vakantie, werkte hij met ‘zijn mensen’. Zelfs nu nog gaat hij nog altijd eens per maand een zaterdag naar het Theehuis.

Maar Gea begon te veranderen. Soms stond ze zomaar stokstijf op het terras en begon te schreeuwen. Steeds vaker werd ze enorm angstig. Haar gedrag kreeg zoveel invloed op de rest, dat ze niet meer te handhaven was. Gea ging naar een andere locatie.

Als ik jarig was, stonden ze zo in mijn slaapkamer

‘Ik heb haar jaren later weer ontmoet, op een kerstmarkt in IJsselmuiden’, vertelt Dekker. ‘Ze was volledig van de wereld met zo’n vlakke blik in haar ogen. Ze zag me, maar of ze me herkende?’

Een half jaar later viel een overlijdensbericht in zijn brievenbus.

Chromosoom 21

Noch Dekker, noch zijn ouders, noch Gea’s therapeuten hadden in de gaten wat er aan de hand was. Tot Dekker, intussen masterstudent neurowetenschappen, college had van professor Peter De Deyn. Zijn verhaal ging over gedragsveranderingen bij dementerenden. En toen – bijna tussen neus en lippen door – vertelde De Deyn dat liefst zeventig procent van de mensen met downsyndroom alzheimer krijgt. ‘Terwijl dat bij de rest van de bevolking maar elf procent is.’

En toen viel het kwartje. ‘Dat was wat ik ook bij Gea had gezien. En dat raakte me zo!’

De oorzaak van de ellende is chromosoom 21. Daarop ligt een gen dat het plakkerige amyloïd-eiwit produceert. Dat amyloïd hoopt zich op in het brein en veroorzaakt er schade, die in verband gebracht wordt met dementie. Normaal gesproken levert dat pas op hoge leeftijd problemen op. Maar wie downsyndroom heeft, heeft drie exemplaren van chromosoom 21. En die maken natuurlijk meer ‘plakeiwit’ dan twee. Zoveel dat een veertigjarig downbrein er al uitziet als een alzheimerbrein.

Niet heel sexy

Zodra het college afgelopen was, rende Dekker De Deyn achterna. Hoe komt het dat vrijwel élk downbrein een alzheimerbrein wordt, maar niet alle patiënten klachten hebben? Kun je voorspellen bij wie het wel gebeurt en bij wie niet? En wat kon De Deyn hem nog meer vertellen over de relatie tussen dementie en down?

Bijna niets, bleek. Er wordt relatief weinig onderzoek naar gedaan. Studies onder mensen met Down zijn nu eenmaal niet heel sexy. Maar na een wandeling van een kwartier door het ziekenhuis, waren De Deyn en Dekker eruit. ‘We gaan dat gewoon doen.’

De omgeving wijt de problemen aan het ouder worden

En nu, zo’n vier jaar later, promoveert Dekker op de relatie tussen down en dementie. Daarvoor richtte hij zich in eerste instantie op het herkénnen van het probleem, het punt waar het bij Gea zo duidelijk mis was gegaan.

Dat is namelijk minder gemakkelijk dan je zou denken. Dat brein, dat heeft sowieso al de eiwitophopingen die bij alzheimer horen, dus dat zegt weinig. En de testjes die normaal gebruikt worden om dementie te herkennen – gericht op kennis en geheugen – houden geen rekening met het feit dat downers tóch al nooit zo hoog scoren op die punten.

Geleidelijk

Dus richtte Dekker zich op gedrag. Want ook veranderingen daarin blijven bij deze groep vaak onopgemerkt. ‘Dat komt doordat het heel geleidelijk gaat’, zegt Dekker. ‘De omgeving groeit erin mee. Of ze wijten veranderingen in gedrag aan het ouder worden of aan de verstandelijke beperking.’

Dekker praatte met zorginstellingen uit heel Europa en verzamelde 83 verschillende ‘gedragingen’, die hij in een vragenlijst verwerkte. Dat kan zijn ‘De cliënt is/lijkt bang om alleen gelaten te worden’ of ‘De cliënt vertoont een gebrek aan initiatief’. Vervolgens moet de invuller de laatste zes maanden vergelijken met de tijd daarvoor. ‘Het dwingt de omgeving om een pas op de plaats te maken en na te denken hoe iemands gedrag zich de laatste maanden heeft ontwikkeld. Dan valt duidelijker op dat iemand apathischer, angstiger of agressiever is.’

Dekker paste zijn vragenlijst toe op driehonderd downers, verdeeld in een groep mét alzheimer, een groep zonder en een groep waarbij de diagnose twijfelachtig was. Het is daarmee ook meteen de grootste studie onder mensen met down wereldwijd.

Alarmbellen

Dekker is ‘ongelooflijk trots’ dat zoveel mensen hebben willen meewerken, zegt hij. En de lijst werkt. In de ‘zeker alzheimergroep’ bleken zes op de tien patiënten bijvoorbeeld duidelijk apathischer te worden. Ook vond hij een toename in angst en depressie. Maar ook in de ‘twijfelgroep’ zijn kenmerken aanwezig. Genoeg om alarmbellen af te laten gaan, zegt hij. En daar ging het hem om.‘

Het scheelt als je weet wat er aan de hand is

Want hoewel je de alzheimer niet kunt genezen, kun je de persoon wel helpen. ‘Het gedrag is het meest belastend’, weet Dekker. ‘Maar het scheelt als je weet wat er aan de hand is. Dat leidt tot meer begrip en en soms kun je met aanpassingen in de omgeving heel veel bereiken. Denk aan een nachtlampje als iemand erg angstig is.’

Toch blijft er een belangrijke vraag open. Toen Dekker zijn onderzoek begon, had hij immers gehoopt ook dat andere raadsel op te lossen: waarom de een symptomen krijgt en de ander niet. En heel even leek het erop dat hij daarin zou slagen.

Hersenvocht

‘Dementie is een probleem van het brein. De eiwitophopingen tasten onder meer de neurotransmitters in de hersenen aan’, legt Dekker uit. ‘Dus wilden we weten of we veranderingen in die neurotransmitters terug konden vinden.’

Toen hij bloedserum van downers met dementie onderzocht, leek hij even goud te hebben gevonden. De concentratie MHPG, een afbraakproduct van de neurotransmitter noradrenaline, bleek sterk verlaagd. Maar – en daar werd het pas echt interessant – ook bij mensen die waarschijnlijk binnen vijf jaar dement zouden wórden. ‘En dat zou betekenen dat je een test kunt ontwikkelen, die je gewoon bij de huisarts kunt uitvoeren,’ zegt hij.

Er zit daar íets, maar we weten niet wat

Helaas – wetenschap betekent doorexperimenteren en verifiëren. En in een vervolgstudie, waarbij Dekker MHPG in hersenvocht en hersenweefsel van patiënten onderzocht, bleken duidelijke verschillen te ontbreken.

MHPG-spoor

Waarom? Dekker kan er de vinger nog niet op leggen. De tweede studie was klein (hersenweefsel van twintig personen is weinig) maar het was een heidens karwei om het benodigde materiaal te pakken te krijgen. Waar van de reguliere bevolking vaak honderden samples beschikbaar zijn, is dat bij mensen met down heel anders. Ander puntje: bij de eerste studie had hij geen hersenvocht tot zijn beschikking, bij de tweede geen serum. ‘We weten nog niet zeker waarom we het niet meer zien’, zegt hij.

Voorlopig richt hij zich op zijn promotie, woensdag 15 november. Een plechtigheid waar ook 12 cliënten uit Theehuis Zalkerveer acte de presence zullen geven. Daarna werkt hij het komende jaar nog verder aan het verfijnen van zijn vragenlijst en het ontwikkelen van een app die de toepassing ervan eenvoudiger maakt.

En dan? Hij hoopt dat er meer financiering loskomt en meer aandacht voor deze doelgroep komt. Wie weet of hij toch een manier vindt om verder te gaan op dat MHPG-spoor. Want het laat hem niet los. ‘Er zit daar íets’, zegt hij. ‘We weten alleen niet wat.’

English