Wetenschap

Mythen en sagen

Speuren naar spoken en duivels

Brandende geesten die vanuit de hel terugkeren op aarde, zwartgeklede en zwevende vrouwtjes die ongeluk brengen. En Doornroosje werd niet liefdevol wakker gekust, maar verkracht door de prins. Volksverhalen. Bijzonder hoogleraar Theo Meder is er dol op.
Door Thereza Langeler / Video’s door Sjef Weller

Volksverhalen werden tot begin twintigste eeuw als waarheid verteld. Blijkbaar is dat geloof iets heel hardnekkigs.

Ook sprookjes, moppen, raadsels en broodjeaap-verhalen horen bij het genre.

In Groningen en Friesland zijn ongelooflijk veel volksverhalen bekend.

Tijden veranderen, en dus veranderen sprookjes mee. Het wordt allemaal steeds vriendelijker. Minder seks, minder geweld.

Sagen zijn een spiegel van de samenleving. De gevoelens, de angsten en de meningen schemeren erin door.

Het verhaal over organendieven vindt altijd plaats in een of ander exotisch buitenland. Dat speelt prachtig in op de angst voor onbekende plaatsen en mensen.

Leestijd: 8 minuten (1312 woorden)

De deur uitgaan moet vroeger spannend zijn geweest op het Friese en Groningse platteland. Sinistere zwartgeklede vrouwtjes zweefden daar over de wegen en brachten ongeluk aan ieder die hen zag. Brandende geesten keerden vanuit de hel terug op aarde en volgden je naar huis om tegen je ramen te klauwen. Soms kon je de duivel zelf zien ronddolen in de gedaante van een vervaarlijke zwarte hond.

Eeuwenlang vertelden de mensen elkaar over sokkeraaiwiefkes, vuurmannen en duivelshonden. Daar zijn ze nog niet eens zo lang geleden mee opgehouden, weet bijzonder hoogleraar Theo Meder. ‘Deze verhalen werden tot begin twintigste eeuw als waarheid verteld. De Verlichting was toen allang geweest, maar blijkbaar is dat geloof iets heel hardnekkigs.’

Theo Meder werkt bij het Meertens Instituut, waar de Nederlandse taal en cultuur bestudeerd worden. Hij is sinds september 2015 ook bijzonder hoogleraar aan de RUG. Zijn onderzoek richt zich op volksverhalen. Dat zijn er nogal wat. De sprookjes die iedereen kent van Disney zijn oorspronkelijk volksverhalen, net als legendes over vrome heiligen of huilende mariabeelden. Maar ook moppen, raadsels en broodjeaapverhalen horen bij het genre.

Diepe stem

Verhalen die specifiek aan een plaats gebonden zijn, heten sagen. Vaak zijn die griezelig, maar dat hoeft niet per se. In Eenrum kent bijvoorbeeld iedereen de sage van de jonge vrouw Aagt, die op een wel heel bijzondere wijze betaalde voor een stuk grond.

Theo Meder vertelt verhalen precies zoals je ze graag zou willen horen; met een diepe stem, een spannende opbouw en een feilloos gevoel voor timing. Het is niet moeilijk om te geloven dat hij vroeger nogal goed was in het vertellen van moppen – nog steeds zijn favoriete genre. ‘Het is geen kwestie van opdreunen, je moet een mop als het ware uitspelen.’

Het is verleidelijk om in het moppentappen van vroeger het begin te zien van een levenslange liefde voor verhalen. Meder zelf gelooft daar niet zo in. Dat hij alweer meer dan twintig jaar geleden bij het Meertens Instituut aan de slag ging was niet uit passie, maar toeval. ‘Ik was klaar met m’n studie en daar was toevallig een baantje.’ Meder solliciteerde, werd aangenomen en kreeg de opdracht om een database voor volksverhalen te ontwikkelen, de Verhalenbank.

‘Sindsdien is mijn specialisatie, en ook mijn fascinatie, wel gegroeid’, geeft hij toe. Dat blijkt ook uit zijn cv (zie kader): hij is senior onderzoeker bij het Meertens Instituut, heeft gepubliceerd over uiteenlopende onderwerpen en tal van onderzoeksprojecten geleid. Een van de meest recente projecten waaraan hij meewerkt, is de website SagenJager, een online routeplanner vol sagen door heel Nederland. ‘Routes van spook naar duivel’, noemt Meder het project met een knipoog. ‘Er zijn al zoveel fiets- en wandeltochten van molen naar boerderij, zoiets kunnen wij ook wel maken rondom sagen.’

sagen-kaart

Deel van de kaart op www.sagenjager.nl/kaart

Die kaart laat ook mooi zien waarom het niet toevallig is dat Meder de RUG koos voor zijn hoogleraarschap: in het Noorden zijn ongelooflijk veel volksverhalen bekend. Dat is vooral te danken aan Dam Jaarsma (1914-1991), een Friese dichter en dominee die meer dan vijftienduizend volksverhalen uit zijn geboortestreek verzamelde. Ze vormen nog steeds een van de grootste en belangrijkste collecties die het Meertens Instituut rijk is.

‘Naar die verhalen wilde ik heel graag meer onderzoek doen’, vertelt Meder. ‘En de RUG is de enige universiteit waar de Friese taal en cultuur nog worden bestudeerd. Jurjen van der Kooi (voormalig hoofddocent volkskunde en orale cultuur, red.) heeft al veel onderzoek verricht naar de verhalen van het Noorden. Dat werk voortzetten lijkt me heel mooi.’

Etnische verschillen

Verzamelen is één ding, maar Meder wil in zijn onderzoek verder kijken. ‘De waarom-vragen stellen, dat vind ik heel belangrijk. Waarom vertellen mensen de verhalen die ze vertellen, waarom op een bepaalde manier en niet op een andere?’

Want door verhalen op die manier te bekijken, kun je een boel te weten komen over de mensen die ze vertellen. ‘De gevoelens, de angsten en de meningen van een maatschappij schemeren erin door.’ Dat wordt al zichtbaar in het ogenschijnlijk simpele genre van de mop. ‘Weet je wat de laatste jaren enorm omhoog schiet als onderwerp van moppen? Etnische verschillen. Juist omdat we nu een samenleving vol verschillende etnische groepen hebben.’

Ooit was dat wel anders, blijkt uit een oud Gronings verhaal. In Ezinge woonde de naaister Trijntje Soldaats, die tijdens haar werk verhaaltjes vertelde aan de kinderen van haar klanten. Een van die verhaaltjes gaat over een boer die een donkere man aanziet voor de duivel.

Tijden veranderen, en dus veranderen sprookjes mee. ‘Het wordt allemaal steeds vriendelijker’, vat Meder samen. ‘Minder seks, minder geweld.’ Zo eindigt het verhaal van Doornroosje bij Disney met een voorzichtig kusje – maar in het oorspronkelijke verhaal verkrachtte de prins de prinses, die in haar slaap vervolgens ook nog van twee kinderen beviel. En Roodkapje en oma leefden niet lang en gelukkig, maar werden verslonden door de wolf.

Dat soort verhalen kunnen anno 2016 niet meer. Meder vindt dat niet erg. ‘Je houdt zulke ontwikkelingen niet tegen, zelfs als je het zou willen. Dat hoort nu eenmaal bij verhalen: hoe het gaat, bepaalt de verteller. En als die vindt dat het anders moet, dan moet het maar anders. Ik heb daar geen waardeoordeel over, ik sta aan de zijlijn en kijk wat er gebeurt.’

Bloody Mary

Ook sagen hebben een behoorlijke verandering doorgemaakt. Ze heten tegenwoordig meestal anders: broodjeaapverhaal, of urban legend. Ze gaan niet meer over sokkeraaiwiefkes, maar over bendes van organendieven die argeloze vakantiegangers van hun nieren beroven. Of over bebloede geesten die je achter je ziet verschijnen als je driemaal ‘bloody mary’ zegt in een spiegel.

Misschien wel de grootste verandering: in plaats van mond-tot-mond, verspreiden moderne sagen zich vooral via internet. ‘Wat online gebeurt, lijkt eigenlijk best veel op mondelinge communicatie’, legt Meder uit. ‘Het taalgebruik is informeel, interacties zijn vluchtig en de identiteit van de verteller kan onbekend zijn. Het is niet verwonderlijk dat juist online heel veel broodjeaapverhalen circuleren.’

Maar is het online ook niet heel makkelijk om even te controleren wat er waar is van al die sterke verhalen? Meder, lachend: ‘Jawel, maar dat betekent niet dat het ook gedaan wordt. Mensen geloven wat ze graag willen geloven, wat past bij hun wereldbeeld. Zo’n verhaal over organendieven, bijvoorbeeld, vindt altijd plaats in een of ander exotisch buitenland. Dat speelt prachtig in op de angst voor onbekende plaatsen en mensen. De luisteraar denkt dan: zie je wel, je weet het maar nooit met die buitenlanders. Niet: goh, laat ik eens grondig uitzoeken of dat klopt.’

Dus zijn we op onze hoede voor enge mannen die onze nieren willen stelen, net zoals de Friezen en Groningers van vroeger vreesden voor de duivel in hondengedaante. We vertellen huiverend aan elkaar hoeveel spinnen er ’s nachts in onze nietsvermoedende monden kruipen, net zoals de bewoners van Leek vroeger huiverden bij het lugubere verhaal van de Schelpengrot op landgoed Nienoord. Theo Meder vertelt het in het filmpje hiernaast.

Wees gerust, het is niet echt gebeurd… Waarschijnlijk.

Theo Meder in vogelvlucht

Theo Meder (Vlaardingen, 1960) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, met een specialisatie in Middelnederlandse letterkunde. In 1994 ging hij bij het Meertens Instituut voor Nederlandse Taal en Cultuur werken. Hij ontwikkelde voor het Meertens Instituut de Verhalenbank, die sinds 2004 online te bekijken is. Hij redigeert het webjournal Vertelcultuur en werkt mee aan de website SagenJager.

Meder publiceerde boeken en artikelen over allerhande volksverhalen. Hij deed etnologisch onderzoek naar de vertelcultuur in de Utrechtse multiculturele wijk Lombok. Hij onderzocht en beschreef ook de verhalen van New Age-groepen. In 2008 werkte Meder mee aan de Canon met de kleine c, een verzameling verhalen en liederen bij de Canon van Nederland. Meder houdt zich ook bezig met online vertelcultuur op bijvoorbeeld Twitter en werkte mee aan de ontwikkeling van TweetGenie.

Theo Meder is momenteel senior onderzoeker aan het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar aan de letterenfaculteit van de RUG.

English