Universiteit

Een verdeelde faculteit

Runia is niet de enige

Het broeit in de Faculteit der Letteren. Het faculteitsbestuur probeert de problemen aan te pakken. Maar volgens medewerkers gaat het aan de kern van de zaak voorbij.
Door Megan Embry

Hoeveel docenten heb je nodig om een scriptie te beoordelen? Vaak twee maar soms ook drie, zegt vicedecaan Daan Raemaekers. Soms zijn er drie mensen nodig om te bevestigen dat een scriptie een zes moet krijgen en geen vijf. En dan letten we even niet op de tijd, of het papierwerk; zeker bij letteren kosten namelijk heel veel dingen extra tijd en papierwerk.

Het broeit in de Faculteit der Letteren. Maanden geleden al zorgde het voorstel voor clustering van de verschillende afdelingen voor onrust. Dat erkende ook het bestuur in een memo van afgelopen juni: ‘Het faculteitsbestuur is zich bewust van continue onrust onder de staf.’

Maar er speelde meer. En daar was het bestuur zich niet van bewust.

Tot Eelco Runia er de aandacht op vestigde in zijn recente opiniestuk. Sommigen vonden zijn toespelingen op Lenin en de geheime politie wat overdreven. ‘Hyperbolisch is er een goed woord voor’, zegt hoogleraar Amerikaanse geschiedenis Mark Thompson met een wrange glimlach. ‘Maar Runia gooide de discussie open. Hij dwingt mensen er openlijk over te praten. En ik denk ook dat er daarom zo’n paniek is.’

Runia’s brief zorgde voor opschudding binnen de hele universiteit. Er was een onhandige mail van een hoogleraar die medewerkers aanraadde niet met de pers te praten, het faculteitsbestuur organiseerde een wat teleurstellende discussie over de kwestie, er was een studentenprotest, een antwoord van hoogleraar moderne geschiedenis Mineke Bosch in De Groene Amsterdammer, een formele reactie op de Runiadiscussie van het faculteitsbestuur, en een nieuwe reactie van Runia op díe reactie.

Wat is er aan de hand?

Het komt allemaal neer op twee grote issues: visitatiecommissies en geld. Volgens veel stafleden veroorzaken die twee zaken bureaucratie, micromanagement, een onmogelijke werkdruk, outputfinanciering, een facultaire reorganisatie, en een staf die het gevoel heeft weinig te zeggen te hebben.

En natuurlijk is er de pijn over de internationalisering – maar dat is nog een heel verhaal apart.

De schaduw van de visitatiecommissie hangt dreigend over de faculteit. Visitatiecommissies beoordelen immers de kwaliteit van opleidingen en stellen daarover rapporten op. De universiteit stuurt die rapporten mee bij accreditatieverzoeken voor haar opleidingen.

Niemand wil zoiets traumatisch nog een keer meemaken

Zes jaar geleden bezorgde zo’n negatief rapport de afdeling geschiedenis de schrik van hun leven. Waarop de examencommissie met een documentatiesysteem kwam, om maar te kunnen bewijzen dat alles, van syllabi tot tentamenvragen, voldoet aan de nationale kwaliteitseisen.

‘Je kunt je voorstellen dat dit een hoop extra werk betekent’, zegt vicedecaan Daan Raemaekers. Maar dat werk is nodig, ‘want niemand wil zoiets traumatisch nog een keer meemaken’.

Bureaucratie

En van beoordelingsangst komt bureaucratie. ‘We verzinnen geen extra papierwerk omdat we dat zo leuk vinden’, zegt Raemaekers. ‘De buitenwereld eist het. Dit is een probleem van ons allemaal.’

Dat doet echter niets af aan de druk op de staf, die stelt dat ‘de papierwinkel eindeloos is en nergens toe leidt’. Eén medewerker van letteren zegt: ‘Laat ons je syllabi zien, je cijfers, voorbeelden van je tentamens, voorbeelden van schrijfopdrachten, laat zien hoe je ze beoordeeld hebt, laat de beoordelingscriteria zien, leg uit waarom die eerlijk zijn, geef ons vijf procent van de tentamens van een bepaald vak, geef ons al je voorbeelden van hoge en lage cijfers, en ook alles wat je aan evaluatie van een schrijfopdracht hebt opgeschreven. Geef ons ál die dingen en dan vertellen wij je wel of je je werk goed doet.’

Wat heeft al dat extra werk te maken met lesgeven of onderzoeken? Niet veel, zegt Luis Lobo-Guerrero, hoogleraar bij internationale betrekkingen. ‘Het meeste is totaal nutteloos. We moéten het doen en het kost tijd, maar het haalt de emotie en passie uit het onderwijs.’

Verlies van autonomie

Volgens Runia verliezen professionals hun autonomie. Ze hebben niet langer de bevoegdheid zelf te bepalen wat academische kwaliteit is, noch voelen ze de vrijheid om te experimenteren met leermethoden, of de tijd om zich te richten op het werk dat echt belangrijk voor hen is.

Ook het faculteitsbestuur is bezorgd over de nadelige effecten van het supervisiesysteem. ‘Dit gebeurt zowel in de profit-, als de non-profitsector’, schrijven de bestuursleden. ‘Het is een brede maatschappelijke ontwikkeling die al decennia gaande is.’

Dit kan een goed moment zijn om kritisch te kijken naar waar we mee bezig zijn

Thijs Lijster is universitair docent kunst- en cultuurfilosofie. Hij vond de reactie van het bestuur genuanceerd en zinvol, en is het met hen eens: micromanagement en overregulering vindt je overal. ‘Maar dat betekent niet dat onze eigen organisatie geen verantwoordelijkheid heeft. En er zijn momenteel enorme tegenbewegingen – in het basisonderwijs en de gezondheidszorg, bijvoorbeeld. Dit kan een goed moment zijn om kritisch te kijken naar waar we mee bezig zijn.’

Het faculteitsbestuur zegt geen oplossingen te hebben. ‘Wij gaan niet over ons eigen budget.’  Ze gaan echter wel ‘berekenen welke financiële ruimte er vrijgemaakt kan worden voor maatregelen om de werkdruk te verminderen’ en ‘bekijken welke oplossingen er zijn in de organisatie van het onderwijs’. Ook gaan leden van een ‘commissie rompslomp’ op zoek naar manieren om de bureaucratische werkdruk te verminderen.

Marktdenken

Runia zegt dat marktwerking de oorzaak is van de problemen binnen letteren. Maar het faculteitsbestuur is het daar niet mee eens. ‘Wij delen niet de analyse van Runia. Als we echt zo in de greep waren van marktwerking en neoliberalisme, zouden we onmiddellijk met de meerderheid van onze opleidingen stoppen, omdat slechts eenderde van ons budget afhankelijk is van studentenaantallen.’

Maar Lijster denkt dat het bestuur voorbijgaat aan wat Runia werkelijk bedoelt. De klacht gaat over de sluipende ‘marktmentaliteit’ die steeds meer aan universiteiten wordt opgelegd, zegt hij, ‘en over een houding van competitie, schaarste, strijd en steeds maar groter en groter worden.’

Hoewel de bestuurders zeggen dat ze ‘niet alleen naar het financieel belang’ kijken, wijten ze de toegenomen werkdruk wel aan een afgenomen toelage per student. In 2000 gaf het Rijk voor elke student 19.900 euro, in 2018 nog maar 14.600 euro.

Het gebrek aan financiering leidt volgens Runia tot een voorkeur voor efficiëntie boven kwaliteit. Iedereen moet simpelweg meer doen met minder.

Cluster

Het faculteitsbestuur heeft een manier bedacht om met de geldproblemen om te gaan en tot een verantwoorde, stabiele faculteit te komen: outputfinanciering. De faculteit wordt deels gefinancierd op basis van aantallen studenten en behaalde diploma’s, legt Raemaekers uit. Het bestuur besloot om dat systeem intern te spiegelen door de faculteit te herstructureren.

In januari zijn de afdelingsbesturen opgeheven en gebundeld in ‘clusters’. Alle opleidingen zijn in clusters gestopt ‘die groot genoeg zijn om de fluctuaties op te vangen die gepaard gaan met outputfinanciering’, staat in een memo te lezen.

De langetermijneffecten van woede en machteloosheid zijn zorgelijk

Volgens het bestuur zullen clusterbesturen de staf meer controle geven over opleidingen en onderwijsvormen. Het zou financiële beslissingen ook efficiënter maken. ‘Wat we hebben gedaan, in ons perspectief, is een deel van onze verantwoordelijkheid – inclusief de financiële – naar een lager niveau verplaatsen. Omdat het in een grote faculteit lastig is om te beslissen wat de meeste prioriteit heeft’, zegt Raemaekers.

Geen stem

Niet al het personeel was blij met de ontwikkeling, maar velen voelden zich er machteloos tegen. Eén letterenmedewerker wilde anoniem blijven, omdat kritische opmerkingen de werkverhoudingen zouden kunnen verstoren: ‘Ze hebben de clustering doorgedrukt, ondanks duidelijke, redelijke bezwaren van een groot deel van de staf. De benadering van het faculteitsbestuur was een schoolvoorbeeld van macht, dwars tegen de geest van open debat in. Nu is het personeel gedwongen om én het beleid uit te voeren, én zich eraan te onderwerpen. De langetermijneffecten van woede en machteloosheid zijn zorgelijk en er is nooit echt iets mee gedaan.’

Raemaekers bestrijdt dat het faculteitsbestuur niets heeft gedaan met bezwaren van het personeel. ‘Ik vind het heel moeilijk te begrijpen waar zo’n klacht vandaan komt, afgezien van het feit dat sommige stafleden niet blij zijn met de uitkomst’, zegt hij. ‘Het bestuur heeft zijn uiterste best gedaan om medewerkers te informeren en in te gaan op hun zorgen.’ Ook heeft het ervoor gezorgd dat medewerkers betrokken werden bij het proces, zegt Raemaekers. ‘Hun aanbevelingen zijn vrijwel geheel overgenomen.’

Runia was het zat en ging weg. Lobo-Guerrero geeft hem geen ongelijk, maar hij denkt dat er een betere manier is om door te gaan. ‘We kunnen klagen wat we willen’, zegt hij, ‘maar wij zijn de universiteit. Als we verandering willen, moeten we iets doen. In de alledaagse universiteit – in de collegezaal, op de gang, op kantoor – het is aan ons.’ Hij herhaalt de oproep van het faculteitsbestuur om ‘in samenspraak’ een functionerende faculteit op te bouwen.

Maar wat is daar voor nodig? Nog meer werk.

(Naschrift redactie: in de eerste versie van dit verhaal stonden enkele feitelijke onjuistheden. Zo schreven we onder meer dat afdelingen met het oog op de clustering zijn opgeheven (correct is: afdelingsbesturen), en dat de ‘kleine’ opleidingen in clusters zijn samengekomen (correct is: ‘alle’ opleidingen).

English