Wetenschap

Kleding van walvisvaarders

Overleven in je Hollandse kloffie

Een Nederlandse walvisvaarder op Spitsbergen droeg geen warme wollen trui of stevige laarzen. Hij droeg exact hetzelfde wat hij thuis ook aanhad. Helemaal niet handig, ontdekte Sandra Comis.
Door Christien Boomsma / Foto Ben Bekooy

Het kan frisjes zijn op Spitsbergen. Zelfs in juli komt de gemiddelde temperatuur niet boven de zeven graden uit en de ijzige poolwind maakt het niet aangenamer. Driehonderd jaar geleden – tijdens de Kleine IJstijd – was het er nog kouder.

Dus wie van plan is om er enkele maanden door te brengen – bijvoorbeeld omdat je walvissen gaat vangen en die dan ter plekke uit elkaar snijdt om ze te verwerken tot levertraan -, die kan zich maar beter warm aankleden, zou je denken.

Niet dus.

Een Nederlandse walvisvaarder die in de zeventiende en achttiende eeuw gedurende de zomermaanden op Spitsbergen werkte, droeg lage, leren schoenen, ontdekte textielarcheoloog Sandra Comis. Leer, dat eerst vochtig wordt in de modder rond de traanovens en vervolgens stijf en hard opdroogt.

Daarboven droeg hij lange kousen en dáár weer boven een pofbroek van wol. Een stevige wollen trui zat er ook al niet in. In plaats daarvan koos hij voor een wambuis – wel met openingen onder de oksels -, om makkelijk te kunnen bewegen. Voordeel: al dat walvisvet dat hij eraan afveegde, maakte het ding wel waterdicht. Het geheel maakte hij af door een vilten hoed met een brede rand.

Goedkope snit

Ofwel: praktische werkmanskleding bestond niet. Niet onder de zeventiende-eeuwse walvisvaarders en waarschijnlijk ook niet onder gewone werklui in Nederland. ‘De snit van de kledingstukken was precies hetzelfde als dat wat je ook aantreft onder de hogere klassen in die tijd’, zegt Comis. ‘Alleen was het materiaal een stuk goedkoper.’

Comis promoveert deze week op de honderden stukken textiel die werden gevonden bij opgravingen tussen 1979 en 1981 door poolonderzoeker Louwrens Hacquebord van het Arctisch Centrum. Een deel ervan komt uit Smeerenburg, de Nederlandse nederzetting genoemd naar het ‘smeer’ of het walvisvet dat daar in duizenden kilo’s werd verwerkt.

Maar de mooiste stukken werden opgegraven op Zeeuwse Uitkijk, een naburig eilandje waar vijftig graven uit de tweede helft van de zeventiende en eerste helft van de achttiende eeuw werden onderzocht. Daarin vonden de archeologen skeletten die soms volledig aangekleed waren.

Alleen de hemden ontbraken – die waren vaak van linnen, een plantenvezel die vrijwel altijd vergaat. ‘Daar hadden ze totaal niet op gerekend’, zegt Comis. ‘De kou van Spitsbergen heeft ervoor gezorgd dat de kleding uitzonderlijk goed was geconserveerd.’

Lastig was het ook, weet Comis nog. ‘De archeologen moesten de voetbotjes praktisch uit de sokken schudden.’

Koukleum

Zelf is ze er nooit geweest. ‘Ik ben een koukleum’, zegt ze ‘En ik hou niet van kamperen.’ Maar wat er uiteindelijk in honderden zakken en kisten naar Nederland werd gebracht, was een unieke collectie. Textiel, en zeker kleding, uit opgravingen is hoogst zeldzaam.

Kleding in musea heeft vaak toebehoord aan de hogere klasse of het is bijzonder vanwege de functie. Een bruidsjurk bijvoorbeeld die generaties lang wordt doorgegeven. ‘Maar werkkleding werd eindeloos hersteld, verknipt en vaak hergebruikt als kinderkleding’, zegt Comis. ‘Dat vind je niet meer terug.’

De archeologen moesten de voetbotjes praktisch uit de sokken schudden

Comis begon vervolgens aan het immense karwei om al die kledingstukken schoon te maken – veel ervan waste ze hoogstpersoonlijk in gedemineraliseerd water in haar eigen huis – en te bestuderen. Niet alleen de materialen waren voor haar van belang. Iedere steek, iedere gebruikte weeftechniek, of borduurpatroon gaf weer extra informatie over een wereld waar historici maar zo weinig van af weten: die van gewone mensen.

Die klus werd nog extra bemoeilijkt door het feit dat de kleding vaak intensief versteld was. Eén jas had maar liefst 54 reparatiestukken, die moeizaam bijeen gepuzzeld moest worden. ‘De draad waarmee het vast had gezeten was immers van linnen en dus vergaan.’

Mensenbloed

Een andere jas had vreemde, donkere vlekken die Comis liet analyseren. Het was mensenbloed, zoals ze al vermoedde. De man is vast en zeker overleden aan een wond in zijn rug, maar de jas zélf had geen messteken of sporen van een aanval van een dier. Dus hoe hij die opgelopen kan hebben?

Het mooiste vond ze zelf de 33 gebreide mutsen, met verschillende patronen. ‘Er zijn zoveel motiefjes ingebreid. Reliëfsteken, patronen… Je kunt je zo voorstellen dat iemand die heeft zitten breien’, zegt Comis. De mutsen droegen ze waarschijnlijk binnenshuis, misschien zelfs naar bed, denkt ze. En – ook opvallend – op Spitsbergen werden mannen ermee begraven, terwijl dat in Nederland niet voorkomt. ‘Blijkbaar werd de muts als iets heel persoonlijks gezien.’

Maar het meest opvallend is dat de Nederlandse walvisvaarders dus geen speciale kleding droegen, maar zich simpelweg behielpen met de setjes die ze van huis hadden meegenomen. Sommige van de skeletten droegen twee paar kousen over elkaar. Eentje droeg zelfs drie jassen.

Vilten hoeden werden zo versneden en gevouwen dat ze de vorm van een zuidwester  avant la lettre kregen, met een lange flap in de nek. ‘Je kunt je voorstellen dat dat handig was, als ze de hele dag met het hoofd gebogen stonden te snijden.’ De randen van vilten hoeden werden versneden om als inlegzooltje te dienen in de harde, koude schoenen.

Gefossiliseerd

Eigenlijk lijkt de kleding nog het meeste op de traditionele streekdracht uit Marken, stelt Comis. ‘Die vissersdracht is gefossiliseerd sinds de zeventiende eeuw.’

Blijkbaar werd de muts als iets heel persoonlijks gezien

Het is nu 37 jaar nadat Hacquebord  met het allereerste ‘Smeerenburg’-lapje bij Comis kwam. Nu twee jaar voor haar eigen pensioen – is haar studie dan eindelijk af. Ze beschreef ze tot in detail – zelfs de naaipatronen voegde ze toe aan haar proefschrift. ‘Dat is voor de re-enactors,’ zegt ze. ‘Die willen deze kledingstukken zo precies mogelijk namaken. Ze smeken me al jaren om de beschrijvingen.’

Maar voor haar is het nu even klaar. Niet meer werken in het weekend. En misschien, heel misschien, gaat ze dan toch nog en keer zelf naar Spitsbergen – de plek waar de collectie in 2005 naar teruggebracht is. ‘Louwrens zei ooit eens dat we dat maar moesten regelen na mijn promotie’, zegt ze. ‘Maar dat is al jaren geleden, dus of het er nog van komt? Ach… ik zei toch dat ik een koukleum was?’

Deze donkerblauwe wollen jas was nog in goede staat, toen hij opdook uit de bevroren grond. Reparatiestukken ontbraken en zeven van de twintig tinnen knopen zaten nog in de knoopsgaten. De jas was open onder de oksels, zodat de drager makkelijker kon bewegen.
Walvisvaarders droegen deze mutsen in de eerste helft van de achttiende eeuw. Ze bestaan uit geknipte stukken breiwerk, gemaakt op een vroege breimachine. Walvisvaarders werden vaak met hun mutsen begraven. Een teken dat het een heel persoonlijk kledingstuk was.
Deze wollen kniebroek stamt uit de achttiende eeuw. Hij had twee lange zakopeningen. Restjes linnen suggereren dat de broek ooit gevoerd is geweest.
Omdat walvisvaarders kniebroeken droegen, hadden ze lange kousen nodig. Die waren ook weer van wol. De rechterkous was opengeknipt en werd bijeen gehouden met een wollen bandje.
Ook deze getaillleerde wollen jas was open onder de oksels. De tien metalen en vijf houten knopen waren gesloten toen de overledene in het graf werd bijgezet. De jas is intensief gedragen. Hij had maar liefst 22 reparatiestukken en is ook regelmatig gestopt.