Studenten

Stage lopen in Irak

Oorlog in je hoofd

RUG-student Kurdvin Rasool mocht zijn droomstage volgen in Noord-Irak, in oorlogsgebied. Zijn werk bezorgde hem een nominatie voor een prestigieuze prijs. Maar het stortte hem ook in een diep zwart gat. ‘Het werk doet wel iets met je. Het grijpt je aan.’
Door Thereza Langeler / Fotografie Reyer Boxem

RUG-student Kurdvin Rasool liep stage op een ongewone plek: in een vluchtelingenkamp in Noord-Irak.

De Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF heeft hem genomineerd voor de Kees Bleichrodt Award.

De motivatie: ‘Kurdvin heeft een groot hart en wil zich altijd blijven inzetten voor de mens’.

Het lijkt een successtory, maar terug in Nederland viel hij in een zwart gat. Pas toen realiseerde hij zich wat hij allemaal heeft meegemaakt.

Het kostte hem bijna een jaar om alle verschrikkingen die hij zag te verwerken. En hij werd ook nog eens ernstig ziek.

Hij zegt nu: ‘Vergeten zal ik het nooit. Maar het heeft een eigen plek gekregen binnen mijn identiteit. Dat is goed, het hoort nu in zekere zin bij wie ik ben.’

De UK heeft Rasool al eens eerder gesproken over zijn stage, kort nadat hij in 2015 terugkeerde in Nederland. In dat interview, dat je hier kunt teruglezen, is een enthousiaste man aan het woord, die honderduit vertelt over zijn wederwaardigheden en haast niet kan wachten om terug te gaan naar het oorlogsgebied dat hij net achter zich had gelaten.

Honderduit vertellen doet Rasool nog steeds, maar er is wel iets veranderd tussen toen en nu. Als hij praat, plukt zijn rechterhand nerveus – bijna dwangmatig – aan de boord van zijn overhemd. Soms valt hij ook eventjes helemaal stil, omdat het tijd kost om woorden te vinden voor het zwarte gat waarin hij na zijn stage viel.

Hij waarschuwt maar meteen: ‘Ik hou niet van roze plaatjes.’

Stage in oorlogsgebied

Kurdvin Rasool (39) kwam in 1997 als vluchteling naar Nederland, volgde de master international humanitarian action aan de RUG en liep van september 2014 tot februari 2015 op eigen initiatief stage in een vluchtelingenkamp op de grens van Irak, Syrië en Turkije. Ondanks hevige bedenkingen vanuit de RUG, die er begrijpelijkerwijs niet zo happig op was om een student het oorlogsgebied in te sturen.

Rasools inspanningen zijn niet onopgemerkt gebleven. De Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF nomineerde hem voor de Kees Bleichrodt Award, een prijs voor een vluchtelingstudent die tijdens zijn studie op een of andere manier uitblinkt. ‘Wat Kurdvin in onze ogen zo bijzonder maakt: hij heeft een groot hart en wil zich altijd blijven inzetten voor de mens’, staat op de UAF-website te lezen.

‘Hun ouders – het klinkt misschien hard, maar veel van die mensen zijn gewoon verloren’

Zo zal je Rasool nooit over zichzelf horen praten. Zodra het gesprek richting awards en bewondering gaat, zegt hij schouderophalend: ‘Ik vind mezelf heus niet bijzonder, hoor.’

Maar blij is hij wel met die nominatie. Want de periode na het vluchtelingenkamp was een zware. ‘Het kwam ineens allemaal tegelijk’, zegt hij. ‘In Irak was het zes maanden lang zeven dagen per week keihard werken. Je gunt jezelf geen moment rust. Maar dan heb je dus ook geen tijd om te verwerken wat je allemaal meemaakt.’

Tumor

Terug in Nederland bleek hij ernstig ziek: hij had een tumor in zijn hals. Rasool, de doorzetter, de harde werker, móést wel gas terugnemen. Toen kwam de klap aan en drong alles wat hij had meegemaakt in volle hevigheid tot hem door. ‘Het doet wel iets met je, het werk. En ergens is dat goed, want het betekent dat je een mens bent. Maar het grijpt je aan.’

Zelf werd Rasool het meest getroffen door de kinderen in de kampen, voor wie hij een groot zwak heeft. ‘Ze zijn de zaadjes van de toekomst, zij kunnen uitgroeien tot grote sterke bomen’, verklaart hij vol vuur. ‘Hun ouders – het klinkt misschien hard, maar veel van die mensen zijn gewoon verloren. Ze hebben al te veel meegemaakt. Kinderen zijn nog te redden.’

Vanuit de vluchtelingenkampen was er geen budget om de kinderen speelgoed te geven, dus zamelde Rasool er zelf geld voor in. ‘Van donaties kocht ik een heleboel ballen en poppen, en ik deelde ze uit bij alle kampen in de regio. Je hebt geen idee hoe die koppies dan gingen stralen.’ Hij glimlacht zelf van oor tot oor bij de herinnering. ‘Eén vader hield maar niet op met me bedanken. Omdat ik zijn zoontje een bal van dertig cent had gegeven.’

Glimlach

Maar Rasool kon niet alle kinderen redden met een bal. ‘Er was een meisje’, begint hij met tegenzin. ‘Ze was een jaar of twaalf en zei geen woord. Het enige wat ze deed, aan één stuk door, was glimlachen. Haar vader vertelde me dat ze waren gevlucht voor IS. Dat ze onderweg langs een huis waren gekomen waar bovenop de poort een rij afgehakte hoofden stond. Dat ze sindsdien niets meer had gezegd, alleen maar geglimlacht.’

In een ander kamp trof hij een meisje dat stil in een hoekje zat, terwijl de andere kinderen opgetogen hun cadeautjes aannamen. ‘Het was zo’n mooi kindje. Ik wou dat ik haar duidelijk had kunnen maken dat ze veilig was, dat ze lekker kon gaan spelen.’ Hij staart voor zich uit, zijn rechterhand trekt ritmisch aan de boord van zijn overhemd. ‘Het was een Yezidi-meisje. Ze was verkocht aan IS-strijders. Verkocht en verkracht.’

In de stilte na dat woord glijden er allerlei verschillende uitdrukkingen over zijn gezicht. Hij begint een zin, staakt die weer, zoekt iets zinvols om te zeggen. ‘Het was… ja. Echt moeilijk. Het was fucking moeilijk.’

‘Niet vergeten’

Rasool is er inmiddels in geslaagd om weer uit het zwarte gat te klimmen. Zijn ziekte is onder controle, zijn ervaringen heeft hij een plek gegeven. ‘Niet vergeten’, benadrukt hij. ‘Vergeten zal ik het nooit. Maar het heeft nu een eigen plek gekregen binnen mijn identiteit. Dat is goed, het hoort nu in zekere zin bij wie ik ben.’

Hij vergelijkt het met een studentenkamer tijdens de tentamentijd, en erna. ‘Je kent het wel: hier liggen boeken, daar liggen blikjes, het is een ongelooflijke zooi. Maar ja, je hebt het zo druk met leren dat je niets aan de zooi doet. Tot je tentamens achter de rug zijn, dan kun je rustig gaan opruimen.’

Zo heeft Rasool de chaos in zijn hoofd opgeruimd. Niet in zijn eentje: aan zijn vrienden heeft hij heel veel steun gehad, net als aan zijn geloof in God. ‘God zet mij in een bepaalde positie, daarvan ben ik overtuigd. Hij heeft mij ook naar dat kamp gebracht. Niet om me te pesten, maar met een dóél, snap je? Het is niet voor niets geweest.’

Nu richt Rasool zich vooral op het doorgeven van zijn kennis en zijn ervaringen, bijvoorbeeld in de gastcolleges die hij geregeld geeft bij internationale betrekkingen & organisaties (IBIO). Gaat hij in de toekomst nog eens terug naar Irak? Daar heeft hij niet direct een antwoord op. ‘Misschien. Ik houd alle deuren open.’ Was hij ook gegaan als hij van tevoren had geweten wat er allemaal op hem af zou komen? Zonder enige twijfel: ‘Ja. Absoluut.’

English