Universiteit

Hoe kan de werkdruk omlaag?

Nooit klaar en nooit iets af

Werkdruk is ‘een veelkoppig monster’ dat elke RUG-werknemer wel kent. Iedereen is het er over eens: de werkdruk moet omlaag. Maar de grote vraag is: hoe dan? ‘Eigenlijk denk ik niet dat dé oplossing bestaat.’
Door Thereza Langeler / Animatie door René Lapoutre

Voor promovenda Annieke Nieuwenhuis is het al typend een boterham kauwen achter haar bureau, in plaats van lunchen met collega’s.

Voor hoogleraar Dirk Jan Wolffram is het een gevoel dat het werk nooit af is, hoeveel werk hij ook verzet, dat hij zijn studenten tekortdoet, hoe hard hij ook voor hen holt.

Voor universitair docent Eddo Evink betekende het halve nachten doorwerken, tot hij niet meer kon en overspannen werd.

Werkdruk is ‘een veelkoppig monster’, zegt RUG-bedrijfsarts Peter Flach. Er is geen RUG-werknemer die het monster niet in de een of andere gedaante kent. De vakbonden en de Vereniging van Universiteiten (VSNU) erkennen het probleem; bij het cao-overleg in 2016 constateerden ze ‘dat de werkdruk de afgelopen jaren is toegenomen’. En in december eiste de universiteitsraad dat het college van bestuur extra geld vrij zou maken voor werkdrukverlichting.

Doe iets, roept de universitaire gemeenschap. Maar wat dan? En wie moet dat doen? En hoe kan het eigenlijk dat de RUG collectief zó hard moet werken?

Onderzoek in de avonduren

‘Toen ik tweeënhalf jaar geleden terugkwam in het onderwijs, dacht ik: Nou, dit gaat wel hard’, zegt hoogleraar Wolffram, die geschiedenis doceert. Daarvoor deed hij bestuurswerk, toen gaf hij nauwelijks les. ‘Nu merk ik dat het echt pittiger is dan voorheen.’

Toen ik terugkwam in het onderwijs, dacht ik: Nou, dit gaat wel hard

De universiteit groeit. In 2010 stonden er 27.514 studenten ingeschreven, nu 29.748. En waar in 2010 7,9 procent van de studenten uit het buitenland kwam, is nu 19,6 procent international.

Meer studenten betekent vollere collegezalen, meer nakijken, meer begeleiden. Toch groeit de onderwijsformatie nauwelijks mee. ‘Geleidelijk aan moeten we steeds meer doen’, merkt Evink. ‘Ik heb een college Franse en Duitse filosofie dat ik al jaren aan Nederlandse studenten gaf. Nu zitten er ook internationals bij. Op papier verandert alleen de taal, maar ik heb er meer werk van.’

Bij letteren is het net zo, volgens Wolffram. ‘In de afgelopen tien jaar zijn we wel zo’n kwart meer onderwijs gaan geven. We krijgen meer studenten, meer colleges, en minder fte’s.’ Het onderwijs slokt alle tijd op die Wolffram heeft. In sommige blokken komt het niet eens van onderzoek. Of ja, toch: ‘In de avonduren.’

Een stap extra

Niet al het personeel heeft zo’n grote onderwijslast. Promovendus Matthijs Linssen geeft helemaal geen les. Hij werkt als apotheker in een onderzoeksgroep in het UMCG.

‘Terwijl de onderzoeksgroep van twee naar vier artsen groeide, bleef ik de enige farmaceut’, zegt Linssen. Daardoor moest hij dubbel zoveel artsen ondersteunen. ‘Het is heel lastig om dan je prioriteiten te balanceren. Mijn eigen onderzoek kwam altijd op de laatste plaats.’

Dus liep het vertraging op, ondanks dat Linssen standaard werkdagen maakte van acht uur ’s morgens tot half zeven ’s avonds. Eenmaal thuis was hij uitgeput, iets naast het werk kon hij er niet bij hebben. ‘Dat was soms wel zwaar.’

Mijn eigen onderzoek kwam altijd op de laatste plaats

Inmiddels gaat het beter. Er is een extra apotheker aan de onderzoeksgroep toegevoegd, Linssen heeft wat minder taken en zijn werk is beter afgebakend. Dankzij zijn begeleider, voornamelijk. ‘Je zou wel kunnen zeggen dat hij me tegen mijzelf in bescherming genomen heeft, ja. Ik wilde zelf eigenlijk niet rustiger aan doen.’

En dat lijkt niemand te willen. ‘Ik heb een ontzettend mooi vak, ik vind het echt niet erg om hard te werken’, benadrukt Wolffram. Evink: ‘Op de universiteit werk je standaard meer dan je aanstelling. Als je werk leuk is, zet je graag een stap extra. Ik denk dat het systeem daar soms misbruik van maakt.’

Annieke Nieuwenhuis, die promoveert bij rechten, herkent het: ‘Het hoort bij de cultuur. Ik heb zelf een contract voor vier dagen, maar ik werk er vijf.’ Nieuwenhuis heeft geprobeerd om ook avonden en weekenden door te werken. ‘Je hebt altijd het idee dat je nog wel meer kan doen. Maar dat loste niets op. Ik werd er moe en chagrijnig van, en niet de leukste versie van mezelf, zeg maar.’

Nachtenlang door

Bedrijfsarts Peter Flach ziet in zijn spreekkamer waar te hoge werkdruk toe kan leiden: stressklachten, overspanning en burn-outs. Toe kán leiden, want let wel: werkdruk en werkstress zijn niet hetzelfde. ‘Werkdruk is te hoog als een gezond iemand zijn werk niet af krijgt in de tijd die ervoor staat’, zegt Flach. ‘Daar hoef je niet gestrest van te worden, al is de kans natuurlijk wel groot.’

Er zijn allerlei factoren, zegt Flach, die beïnvloeden hoeveel je aankan. ‘Als iets interessant is en je beleeft het als zinvol, kun je er prima tot ’s avonds laat aan werken, maar bureaucratische administratie kan heel frustrerend zijn. De werksfeer maakt ook uit, en je leidinggevende. Stel dat je continu botte feedback krijgt en vervelend behandeld wordt – dan heb je het zwaarder dan in een leuk team.’

Wat nou té veel is, is niet objectief te zeggen. ‘De één kan nou eenmaal meer werken dan de ander. Het doktersantwoord zou zijn: het is te veel als je klachten krijgt. Als concentreren moeilijker wordt, iemand een kort lontje krijgt.’ Daar wordt arbeidsethos ineens gevaarlijk. ‘Er zijn een boel mensen binnen de universitaire wereld die doorwerken terwijl ze eigenlijk burn-outachtige verschijnselen vertonen.’

Eddo Evink is een tijd overspannen geweest. Nachtenlang doorjakkeren doet hij sindsdien niet meer. ‘Ik pas wel beter op. M’n studenten moeten nu een paper schrijven. Eentje wilde van tevoren al afspreken om te overleggen hoe dat moest. Aan dat soort dingen begin ik niet meer.’

Afroep

Studenten gaan hier niet helemaal vrijuit, denkt Dirk Jan Wolffram. Samen met zijn collega’s van geschiedenis werkt hij aan een aanpak voor verlichting. Bij die aanpak hoort niet alleen reductie van de overbodige regels en extensiveren van het onderwijs, maar ook ‘het verwachtingspatroon van studenten aanpassen’. Een diplomatieke manier om te zeggen: laat je docent af en toe met rust.

Studenten vragen bij elk hoepeltje waar ze door moeten springen: Hoe moet ik door dit hoepeltje springen?

‘We merken dat studenten verwachten dat een docent altijd inzetbaar en bereikbaar is voor het vak dat ze volgen’, zegt Wolffram. ‘Tuurlijk, voor de echte problemen zijn we er. Maar onduidelijkheden in het rooster kunnen wel even wachten.’

Evink merkt dat meer studenten zich schools gaan gedragen doordat het onderwijs steeds schoolser wordt. ‘Ze vragen bij wijze van spreken bij elk hoepeltje waar ze door moeten springen: Hoe moet ik door dit hoepeltje springen?’

Toen Annieke Nieuwenhuis nog onderwijs gaf – dit jaar hoeft het niet meer, zodat ze zich volledig op haar proefschrift kan toeleggen – merkte ze ook dat studenten snel in de pen klimmen. ‘Ze lijken het idee te hebben dat docenten altijd op afroep klaar staan. Ik mailde volgens mij nóóit een docent.’

Maatregelen

Natuurlijk vormen e-mailende studenten niet dé oorzaak van het werkdrukprobleem. En dus is ‘het verwachtingspatroon aanpassen’ ook niet dé oplossing. ‘Eigenlijk denk ik ook niet dat dé oplossing bestaat’, zegt Maarten Goldberg, die de FNV vertegenwoordigt in het Lokaal Overleg (LO) van de RUG. In het LO praten het college van bestuur en vier werknemersorganisaties samen over de arbeidsvoorwaarden voor het personeel.

‘De universiteit heeft zoveel verschillende afdelingen, diensten en groepen personeel, dat vraagt om een diverse aanpak’, zegt Goldberg. Zelf hoort hij bij het ondersteunend- en beheerspersoneel (OBP), waar de druk andere oorzaken heeft dan bij het wetenschappelijk personeel.

‘De bibliotheek heeft bijvoorbeeld grote doorloop, omdat daar veel studentmedewerkers worden ingezet. Maar die mogen maar twee jaar in dienst zijn en dat betekent dat je continu nieuwe collega’s zit in te werken’. Ondertussen hebben secretariaten weer last van de centralisering van processen: ‘Steeds meer taken waar vroeger aparte diensten voor waren, komen nu bij de secretaresses terecht.’

Sommige dingen verbeter je alleen als je er geld insteekt of ze anders organiseert

Bij de cao-besprekingen in 2016 spraken vakbonden en universiteiten af dat nog vóór 2017 elke universiteit met het LO een plan moest maken voor de werkdruk. Het medewerkersonderzoek, dat begin februari is afgenomen onder het personeel, is onderdeel van dat plan. Het is de bedoeling dat er naar aanleiding van de resultaten maatregelen worden genomen. ‘Op laag niveau kunnen afdelingen dat zelf doen.’

Wat geschiedenis nu al onderneemt — het onderwijs minder intensief maken, ‘verwachtingsmanagement’ voor studenten — is daarvan een voorbeeld. ‘Maar sommige dingen verbeter je echt alleen als je er geld insteekt of ze anders organiseert’, erkent Goldberg. En dat moet hogerop gezocht worden.

‘Het college van bestuur zal op een aantal punten naar Den Haag verwijzen’, verwacht Goldberg. Voor een deel is dat terecht. ‘Dat je voor onderzoek subsidies moet binnenhalen, daar doe je als RUG weinig aan. Toch vind ik dat er ook punten zijn waarop het college wél kan ingrijpen.’

En dat moet ook echt gebeuren, benadrukt Goldberg. ‘Als mensen te veel uren maken, zijn ze daar zelf bij. Maar een organisatie die dat maar in stand blijft houden, loopt wel een groot risico. Mensen branden gewoon op. Je steekt echt je kop in het zand als je dat niet wil zien.’

English