Wetenschap

Leefbaarheid in kleine dorpen is prima

Maar vrijwilligers kunnen niet alles

Eigenlijk, zegt Joost Gieling die onderzoek doet naar de sociale samenhang in kleine dorpen, gaat het best goed met de leefbaarheid op het platteland. Dorpsbewoners zetten zich nog altijd graag in voor de plaatselijke Oranjevereniging of voetbalclub. Maar verwacht niet te veel.
Door Christien Boomsma

Twee jaar geleden verdween de Spar uit Ulrum (1300 inwoners). Vreselijk, oordeelde het dorp. Waar moesten de ouderen nu hun boodschappen doen?

Vorig jaar sloten de scholen in Kiel-Windeweer (766 inwoners ) en Onderdendam (670). Met respectievelijk 24 en 21 leerlingen ging het niet meer. Het hart werd uit de dorpen gerukt, vonden de ouders.

IJsmeester uit Noordwolde

Mark Reysoo woont al zijn hele leven in Noordwolde. Hij is er geboren en woont heel bewust nog steeds bij zijn ouders. ‘En ik zou er niet weg willen ook’, zegt de vers afgestudeerde student landschapsinrichting.

Reysoo is al zeven jaar betrokken bij de ijsvereniging. Dat begon met stukjes schrijven voor de website en in de winter regelmatig berichten verzorgen over de ‘ijsverwachting’. ‘Tegenwoordig ben ik ook ‘ijsmeester’.’

Hij houdt de ijsgroei bij, werkt mee met het laten vollopen van de baan in het najaar en het dichten van de ‘lekken’. Als het echt losgaat en de baan gaat open, dan is hij volle dagen bezig om de zaak draaiende te houden.

Daarnaast schrijft hij ook nog stukjes in de drie keer per jaar verschijnende dorpskrant en geeft hij rondleidingen in de eeuwenoude dorpskerk.

Voor Reysoo is dat allemaal vanzelfsprekend. ‘Als je in een klein dorp woont, wat voor een groot deel toch een woondorp van de stad is, dan voel ik me extra verantwoordelijk om voor iets van gemeenschapszin te zorgen’, zegt hij.

In Middelstum (2455 inwoners) sluit binnenkort verzorgingstehuis het Hypolitushoes. Bewoners knokken as we speak om een manier te vinden om ‘hun’ ouderen in hun vertrouwde omgeving te houden.

Het gaat niet goed met de dorpen, zou je denken. De voorzieningen worden minder. Het aantal inwoners daalt. De pinautomaat verdwijnt, de scholen gaan dicht, de kruidenier en de bakker houden het hoofd niet boven water. En ondertussen predikt de overheid de ‘participatiesamenleving’.

Potje koken

De regering schuift steeds meer verantwoordelijkheden af naar de burger. De dorpelingen kunnen immers ook zelf een potje koken voor de bejaarde buurvrouw, een coöperatie oprichten als ze zo graag een supermarkt willen en als vrijwilliger de sportclub, het plaatselijk belang, de Oranjevereniging, toneelvereniging, ijsvereniging, de historische vereniging, de gymclub en bibliotheek in stand houden.

Klinkt prachtig allemaal. Maar werkt het ook? Of betekent het verlies van voorzieningen ook het einde van de sociale cohesie in de dorpen en is de dorpssamenleving daarmee gedoemd?

Zeker niet, oordeelt Joost Gieling in zijn promotieonderzoek naar de sociale samenhang in kleine dorpen. ‘Mensen denken vaak dat de sluiting van een school of supermarkt de doodsteek betekent’, zegt hij. ‘Maar een school of supermarkt is vaak meer een symbool van levendigheid. Een soort statussymbool.’

Digitaal dorpsplein

Niet voor niets zijn het vaak niet eens de ouders die het hardst protesteren als een school sluit, maar de grootouders die ooit zelf daar naar school gingen. ‘En als de supermarkt verdwijnt, klagen óók de mensen die er nooit heengingen.’

Maar een dorpssamenleving kan dat vaak prima opvangen, zegt hij. Mensen zijn veel mobieler dan vroeger en rijden gewoon naar het volgende dorp. Ze vinden nieuwe ontmoetingsplekken – een digitaal dorpsplein bijvoorbeeld. Maar soms ook via een boer die zijn schuur openzet voor een barbecue, of andere initiatieven.

Het is zelfs zo dat een school een steen des aanstoots kan zijn, weet hij, en sociale scheidslijnen kan benadrukken. ‘Zeker als zo’n school worstelt om het hoofd boven water te houden. Als een ouder dan kiest voor een school in een ander dorp, kan dat heel wat scheve gezichten geven.’

Rust en ruimte

De moderne dorpsbewoner is heel anders dan vaak wordt gedacht, constateert hij. De voorzieningen zijn vaak helemaal niet de doorslaggevende reden waarom mensen kiezen voor leven in een dorp. Vaak gaat het om rust en ruimte. Om kleinschaligheid of de natuur.

‘En als dat dan betekent dat je een stukje moet rijden om op je werk te komen, of bij de supermarkt, dan neem je dat op de koop toe’, zegt Gieling. Goede verbindingen met de buitenwereld zijn daarom belangrijker dan een school of een supermarkt.

Dat betekent ook dat er niet een typische dorpsbewoner bestaat. Er zijn er die inderdaad rust zoeken en ervoor kiezen om zich niet te mengen met de andere dorpelingen. ‘Die wonen afgezonderd, paardenbak erbij en het sociale leven in de stad.’

Maar anderen kiezen wél voor de hechte dorpsgemeenschap. En die mensen, ook de nieuwkomers, zijn vaak ook actief in het verenigingsleven. ‘Opvallend is dat het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet niet daalt’, zegt hij. ‘Maar wat wel verandert, is het soort werk dat ze doen. Het is vrijblijvender dan vroeger. Mensen doen het niet omdat het de ongeschreven regel is en het er nu eenmaal bijhoort. Ze doen het omdat ze het wíllen en leuk vinden.’

Niet fair

Dat heeft echter wel gevolgen. Want waar de voetbalvereniging en de toneelclub op deze manier prima kunnen draaien, een coöperatieve buurtsuper of zorgcollectief hou je er niet mee in de lucht. En dat is wel wat de overheid lijkt te verwachten van de ‘zelfredzame burger’.

‘De overheid overschat de mogelijkheden van de burger’, denkt Gieling. Hij maakt zich bijvoorbeeld zorgen over bejaarde mensen die altijd solidair zijn geweest met hun dorpsgenoten, maar er nu niet meer op kunnen rekenen dat die dorpsgenoten dat ook met hen zijn. ‘Het is ook niet fair om dat te verwachten als iemand een gezin heeft met kinderen en een drukke baan’, zegt hij.

Tegelijk, denkt Gieling, betekent dat ook dat voorzieningen en verenigingen steeds meer toegesneden raken op datgene waar de dorpsbewoners behoefte aan hebben. Als niemand in het bestuur van de gymclub wil, dan zal die uitsterven. ‘Maar als genoeg mensen zicht inzetten voor de activiteiten van een Oranjevereniging, of bereid zijn met een busje senioren naar de supermarkt in het volgende dorp te rijden, dan blijft zo’n voorziening in stand.’