Studenten
advertentie

 

Student doet aan bushcraft

Leven, niet overleven

Even helemaal terug naar de natuur, leven zonder technologie en terugvallen op je eigen vernuft. Voor Koen van Steenbeek is een weekendje bushcraft een welkome afwisseling van zijn studie moleculaire levenswetenschappen.
Door René Hoogschagen

Het is vijf uur ’s nachts en buiten is het drie graden. Het vuur is uit, alles op de grond is nat. Ergens blaft een ree. En RUG-student Koen van Steenbeek ligt tussen de bomen onder een zeiltje in een slaapzak. Dit is nu even zijn thuis.

Nee, Koen is geen student in kamernood. Hij woont gewoon in de stad, vlakbij het centrum. Dit weekend brengt hij door in het bos omdat hij dat leuk vindt. ‘Lekker back to basic.’

Koen doet aan bushcraft. En dat is dus géén survival, benadrukt hij. ‘Het gaat niet puur om het overleven; dat je hier een beetje staat af te zien. Je bent ook niet alleen maar bezig met eten vinden.’ Bushcraft is voor mensen die het leuk vinden om in de natuur te leven zonder technologie en om dingen te maken. Je eigen wasrek, bijvoorbeeld. Of een tondeldoosje, een fuik, een meshoes.

Verwondering

‘In huis ben je toch vaak losgekoppeld’, legt Koen uit. ‘Hier ben je heel afhankelijk van de natuur: waar vind ik een onderkomen, wat ga ik eten, hoe is het weer? Je kunt je niet terugtrekken met een zak chips en tv kijken. Dat is leuk, maar dit ook.’

Hier kun je je niet terugtrekken met een zak chips

Als jochie wilde hij al op scouting, ‘maar er was een enorme wachtlijst’. Het kwam er niet van. Maar een paar jaar geleden zag hij op tv Miriam en Peter Lancewood, die door de Nieuw-Zeelandse natuur trokken en grotendeels leefden van wat ze tegenkwamen. ‘Toen ben ik gaan zoeken waar ik dat ook kon leren.’

Zijn interesse in de natuur komt voort uit een gevoel van verwondering, vertelt hij. ‘Over de complexiteit ervan, de gevarieerdheid, grilligheid en schoonheid. Dat ze is ontstaan zonder een vast plan.’

Kamp opslaan

Vuur maken

Koen maakt een stuk grond vrij van bladeren en zorgt voor genoeg brandhout, van kleine twijgjes tot dikke takken. Dan legt hij een ‘vlonder’ op de bodem van de vuurplaats met een stuk of vijf takjes naast elkaar. Vervolgens schraapt hij met een vuurstok een lading vonken op drie wattenschijfjes. Die heeft hij eerst uit elkaar geplukt tot een grote pluizige bol, zodat er meer zuurstof bij komt. De volgende dag gebruikt hij gedroogd gras in plaats van wattenschijfjes. Dat werkt ook. ‘Hoe vaker je het doet, hoe makkelijker het gaat.’

Een basha – een soort tentzeil – een matje en een goed geïsoleerde slaapzak, meer heeft Koen niet nodig om zijn kamp op te slaan in deze herfstkou. De basha hangt tussen twee bomen; aan de windzijde is het zeil tot de grond gespannen en een laagje bladeren dicht de kier. Aan de andere kant maakt Koen van het zeil een afdakje met een paar takken als tentstokken. Iets langer dan een half uur doet hij er over, inclusief het vrijmaken van een vuurplek.

Bushcraft-instructeur René Nauta knikt goedkeurend als hij dat hoort, de eerste avond. Koen staat met de acht andere cursisten in de ‘chute’, een tipi-achtige tent van parachutestof. Sommigen zitten op campingstoeltjes. In het midden brandt vuur. Hond Sjunka banjert vrolijk tussen de cursisten door, zwaaiend met haar staart, op zoek naar iemand die een stok wil gooien.

Het is een diverse groep: van ICT’er tot psycholoog en afkomstig uit het hele land. Wel zijn het dit keer allemaal mannen, want de twee vrouwen konden allebei niet – evenals instructeur Beke Olbers, die een cursus schoenen maken van leer geeft.

Sporen herkennen

In het licht van de afnemende maan gaan de negen mannen met harken en rieken op pad. De kou trekt langzaam verder op en er hangt mist boven de heide. Ze maken een stuk van het zandpad rul, zodat ze daar de volgende dag diersporen op kunnen zien.

Op de terugweg leren ze in het maanlicht dode takken in het bos te herkennen. Even later loopt Koen met zijn armen vol brandhout terug naar het kamp. Hij stapt met een opgewarmd lijf in zijn slaapzak, die op een matje ligt met een bedje van natte bladeren eronder. Bang voor dieren in zijn kampje is hij niet. ‘Soms heb ik een beestje in mijn slaapzak, maar meestal zit ik wel goed verpakt.’

Je maakt een kruis van takken op de plek waar je drol ligt, zodat je hem later niet weer opgraaft

Maar eh… waar moet je hier eigenlijk poepen? ‘Ah, ja’, grijnst Koen. ‘Dat doe je in het poepbos.’ De procedure: in een afgesproken deel van het bos graaf je een gat met een speciaal daarvoor bestemde schep. Je doet je ding, veegt je billen af – met wc-papier of gedroogde bladeren – maakt het gat dicht en verbrandt het papier. En niet vergeten: ‘Je maakt een kruis van takken op de plek waar je drol ligt.’ Anders graaf jij of iemand anders hem later misschien weer op.

Studiekeuze

De volgende ochtend, nadat ze bij het zandpad naar diersporen hebben gekeken, maakt Koen zijn ontbijt klaar boven een nieuw vuurtje: havermout met rozijnen en noten. Hij gooit wat takjes bij het vuur, blaast, gooit er meer takjes bij. De vlammen likken aan zijn zelfgemaakte ‘billycan’, de kookpot. De havermout borrelt in het water. ‘Thuis eet ik het koud met melk.’ Maar ja, hier is geen melk.

‘Ik ben hier heel concreet met de natuur bezig’, vertelt Koen. Dat maakt het ook zo anders dan zijn studie moleculaire levenswetenschappen. Die gaat ook wel over natuur, maar dan zoomt hij in op de kleinste onderdelen van het leven, in een lab, afgescheiden van de echte natuur.

Dat maakt ook dat hij toch een beetje twijfelt over zijn studiekeuze. ‘Wil ik straks tien jaar lang bezig zijn met één onderdeeltje van een cel? Dan wil ik wel graag concreet resultaat zien; weten waar ik het voor doe. Zoals hoe je soja kunt verbouwen in Nederland, zodat je dat niet meer in Zuid-Amerika hoeft te doen. Daar komt ook veel moleculaire kennis bij kijken.’

Dieren doden

Vandaag maakt hij een ‘vierval’. Op dit valsysteem komt een kleine gaasbak, waardoor het een muizenval wordt die niet dodelijk is. Maar, zo legt de instructeur uit, je kunt hem ook groter maken en er een zware boomstam op leggen. Als de val dan klapt, overleeft het dier dat eronder komt dat niet.

Wij vangen dieren die een goed bestaan hebben gehad, dat is niet zieliger dan vlees uit de supermarkt

Maar dat is stropen en dat mag niet in Nederland. In Schotland wel. Daar verbleef de groep vorig jaar juli een week lang in een groot natuurgebied. ‘Dat was heel gaaf’, zegt Koen. ‘We hebben strikken gezet van ijzerdraad en fuiken in een beek uitgezet.’ Die hadden ze eerder gemaakt van wilgentenen.

Koen ving niks met zijn fuik. Wel haalden ze onder andere een zeebaars binnen met een sleepnet en aten ze drie dagen van een ree die een jager in de buurt had geschoten.

Dieren doden ligt gevoelig, snapt Koen. ‘Maar ik vind het minder zielig dan dieren houden in de bio-industrie en ze dan doodmaken. Wij vangen dieren die buiten leven en die een goed bestaan hebben gehad. Het is niet zieliger dan vlees uit de supermarkt.’

Van hout uit het bos en van een pees uit de winkel maken Koen en zijn companen op de laatste dag allemaal een pijl en boog. ‘Je kunt een pees ook maken van vezels van brandnetel’, zegt Koen. Maar ‘in alles wat je maakt, gaat veel tijd zitten’ en daarvoor is dit weekend te kort. Nu kon hij aan het eind van de dag al oefenen met schieten. Op boomstammen.

slider
advertentie  

English