Kenners

Actuele onderwerpen nader toegelicht door RUG-deskundigen

Laptopverbod

RUG-docent Martin Boisen riep in de Universiteitskrant onlangs op tot een verbod op smartphone en laptop in de collegezalen. Hij kan door al die schermen moeilijker contact krijgen met zijn studenten, zegt hij. Bovendien raken de studenten heel snel afgeleid door sociale media en mailtjes.
Door Jurgen Tiekstra

Klaas van Veen

Hoogleraar onderwijskunde

‘Ik herken het probleem en ben het helemaal met hem eens. Mijn ervaring is dat bij colleges een klein deel met hun laptops echt aantekeningen maakt maar het merendeel andere dingen doet: facebooken, of op Marktplaats kijken. Loop maar door de collegezaal heen.

Over het algemeen wordt gedacht dat de aanwezigheid van laptops beter is, maar dat is in zijn algemeenheid gewoon niet waar. Behalve als je ze echt functioneel inzet tijdens het college of de les. Met een laptop of smartphone ben je eigenlijk aan het multitasken. Je maakt aantekeningen op je laptop en denkt: ik kan dat wel, ik kan wel tegelijk luisteren naar de docent en Whatsapp controleren en facebooken.

Maar uit onderzoek wordt dat een switching penalty genoemd: switchen in je hersenen kost tijd. Je moet telkens opnieuw een informatieverwerkingsproces opstarten. Mensen die multitasken, onthouden minder goed, zijn minder geconcentreerd en leveren minder goed werk af. Een ander ding is: zo’n laptop of smartphone leidt enorm af. Je ziet ook steeds meer dat mensen verslaafd raken aan sociale media. Een gemiddelde gebruiker kijkt 221 per keer per dag op zijn telefoon, blijkt uit onderzoek. Gemiddeld is dat meer dan drie uur per dag.

Er zijn er heel weinig argumenten waarom je smartphones en laptops moet toestaan, behalve voor die enkele studenten die motorisch beperkt zijn en niet goed met de hand kunnen schrijven.

Als je als docent je eigen college serieus neemt en je zegt ‘Ik wil dat mijn studenten actief luisteren en meedoen’, dan verbied je laptops en mobiele telefoons. Ik heb dat zelf nog niet gedaan, al spreek ik studenten wel direct aan op hun laptopgedrag als ik het zie. Maar toen ik het verhaal van Martin Boisen las, dacht ik: dat is een goed idee.’

Jasperina Brouwer

Universitair docent onderwijskunde, ontwikkelings- en onderwijspsychologie

‘Ik zie de laptop echt als een middel. Het is aan de student om dat op een juiste manier te gebruiken. Er zitten nadelen aan, maar ook voordelen. In de literatuur wordt enerzijds wel verwezen naar het voordeel van de externe opslag.  Je kunt met een laptop veel informatie opslaan en teruglezen, doordat mensen sneller kunnen typen dan met de hand schrijven.

Anderzijds is de manier waarop informatie verwerkt wordt van belang (‘encoding’). Mueller en Oppenheimer hebben in 2014 gekeken naar het verschil tussen aantekeningen maken met de hand en met een laptop. Studenten met handgeschreven aantekeningen hadden nadien een beter conceptueel begrip dan studenten die met een laptop hadden meegetypt. Zij wijten dat aan het feit dat je vooral verbatim, dus letterlijk, meetikt met wat de docent zegt. Met de hand vat je juist samen en verwerk je de informatie dus al.

Het voordeel van aantekeningen op een laptop is dat je deze gemakkelijk kunt terugvinden, ook als ze langere tijd na een tentamen nog eens wilt inzien. Een ander voordeel is dat je andere informatie, zoals slides, kan samenvoegen tot een document.

Ik ben er absoluut geen voorstander van studenten iets op te leggen. De onderzoeken die er zijn geweest, waren experimenten op groepsniveau en zeggen dus niet per se iets over wat voor jou individueel het beste is. Studenten kunnen zelf de voor- en nadelen afwegen.’

Ine Noben

Onderzoekt effectief docentgedrag in universitaire onderwijssettings

‘Mijn eerste reactie is: Ja, er is heel veel mogelijk met laptops. Maar dat hangt allemaal af van de opzet van het college. Daarnaast ben ik er echt voorstander van dat studenten notities maken met de hand. Onderzoek wijst uit dat als je moet samenvatten, je de informatie beter onthoudt. Iedereen kan tegenwoordig bij wijze van spreken op spreeksnelheid blind meetypen, maar je verwerkt dan niet cognitief wat de docent zegt. En dan is aanwezigheid tijdens het college vrij nutteloos.

Er is veel mogelijk, maar de technologie wordt vaak fout gebruikt. Dat is een nuance die niet vaak goed naar voren komt in het debat. Er is een heel aantal voting tools dat vaak wordt genoemd: onlineprogramma’s waarin de docent een vraag stelt waarop studenten zonder naam en toenaam een antwoord kunnen invullen.

Docenten zetten zo’n tool vaak in als iets leuks en om een bepaalde interactie in te bouwen. Maar het fun-aspect is niet de bedoeling. Het inzetten van de tool moet functioneel zijn. De inzet ervan moet leiden tot discussie, tot het prikkelen van de studenten en tot het inbouwen van doelmatige interactie tussen de studenten onderling en tussen de docent en de studenten. Je moet zoiets meenemen in het verhaal van het college en niet gebruiken voor alleen een leuke quiz. Een college is geen toneelvoorstelling, maar een onderwijskundige activiteit.

Ik raad docenten ook altijd aan verschillende powerpoint-sets te maken. Ze kunnen op voorhand een set aan studenten meegeven waarin ze notities kunnen maken en hen gerust stellen: je hoeft niet heel hard mee te schrijven. Want later kan die docent nog een volledigere powerpoint op Nestor zetten. Daardoor ontstaat er tijdens het college meer ruimte voor discussie. Maar dat betekent wel meer werk voor docenten, en die ruimte is er niet altijd in dit onderwijsklimaat.’

English