Kenners

Actuele onderwerpen nader toegelicht door RUG-deskundigen

Songfestival

Elk jaar roept het Eurovisie Songfestival, komende zaterdag op de buis, dezelfde vragen op. Wat is dit voor bombastisch evenement? Stemmen de landen vooral op basis van vriendjespolitiek? En wat moeten we vinden van de muziek?
Door Jurgen Tiekstra

Kristin McGee

Universitair hoofddocent Jazz en Populaire Muziek

‘Ik kijk er elk jaar naar. Ik denk dat het een belangrijk festival is, omdat het een kant van Europa portretteert die niet noodzakelijk ook bekend is buiten de Europese landen. En zelfs het idee van ‘Europa’ wordt uitgedaagd, vanwege de deelnemers: Israël is daar één van. En er wordt over nagedacht om China te laten meedoen.

Het festival laat zien dat Europa in transitie is. In de jaren vijftig was het verbonden aan het project van de naoorlogse hereniging. Het moest mensen weer samenbrengen na de enorme crisis van de Tweede Wereldoorlog. Langzaam veranderde het festival in iets anders: het werd professioneler, het toonde meer van de regionale aspecten van Europa, met het Oost-Europese blok en de Scandinavische landen die samen stemden. En daarna vervaagde het festival in iets wat meer verbonden is aan de mainstream, transnationale muziekindustrie. De genres begonnen de mainstream popwriting en productie te spiegelen.

De grap is altijd: wat is de formule voor het Songfestival? Het liedje moet opbeurend zijn, het moet achtergrondvocalen hebben, het moet moduleren, het moet een heel sterk refrein hebben. Ik denk dat de theatraliteit van het songformat vooral veel te danken heeft aan musical genres: het opbeurende utopische liedje. Dat heeft minder te maken met het gemiddelde door r&b beïnvloede popliedje.

Er is iets unieks aan hoe de popmuziek wordt getransformeerd in het Eurovisie muziekgenre. Het heeft zijn eigen ideologie: een utopisch concept van Europa, dat de oorlog achter zich heeft gelaten. Dat wordt muzikaal verbeeld door volle stemmen, vooral in het refrein, waarin de muziek meestal een octaaf omhoog gaat. En als de laatste noot dertig seconden wordt aangehouden; zoveel beter.’

Laura Spierdijk

Econometrist, onderzocht het stemgedrag

‘Ik moet even vertellen dat ik al van kinds af liefhebber ben van het Songfestival. Mijn onderzoek ben ik eigenlijk als een geintje begonnen, met een collega die ook fan was. Het bleek dat er al een hele literatuur over het songfestival bestond, waarop wij konden aansluiten. In de tijd van ons onderzoek – we hebben het gepubliceerd in 2009 – was het systeem nog behoorlijk anders: er bestond toen nog geen halve finale en alleen het publiek kon stemmen. Er was namelijk nog geen vakjury die de uitslag voor de helft bepaalt.

In die tijd werd er een discussie gevoerd over de vraag of de Oost-Europese landen vriendjespolitiek bedreven en daarom oneerlijk stemden. Maar de theorie van de Cultural Economics zegt dat mensen mooi vinden wat hen bekend in de oren klinkt.

Dat jij veel punten geeft aan een buurland hoeft dus geen vriendjespolitiek te zijn, maar kan komen doordat je dezelfde taal spreekt, toegang hebt tot televisie- en radiozenders uit het buurland en al bekend bent met muziek uit dat land. Uit ons onderzoek bleek inderdaad nauwelijks vriendjespolitiek – behalve tussen Cyprus en Griekenland en de voormalige Joegoslavische landen – maar vooral het belang van overeenkomsten in taal, cultuur en religie.

Een paar jaar geleden werd de vakjury toegevoegd. Dat had vermoedelijk te maken met het diasporaeffect in de televoting. Turkse en Armeense gemeenschappen in bijvoorbeeld Nederland en Frankrijk stemmen massaal op hun land van oorsprong en hebben daardoor grote invloed, net als etnische Russen in Estland. Uit ons onderzoek blijkt dat de vakjury minder gevoelig is voor etnische invloed. Turkije is gestopt met meedoen, omdat ze het oneerlijk vond dat de vakjury is ingevoerd. Net als Armenië presteert Turkije nu minder goed.’

Albert Meijer

Schreef een scriptie over ‘nation branding’

‘Je hoeft niet per se in traditionele, folkloristische outfits het podium op te gaan om een bepaald beeld van je land te willen creëren binnen het Eurovisie Songfestival. De laatste jaren is er inderdaad een verschuiving naar Engelstalige muziek, waarbij veel van de songwriters en tekstschrijvers uit Zweden komen. Dus muzikaal wordt het een beetje eenheidsworst.

Maar als je dieper kijkt, vallen bepaalde dingen toch op. Voor mijn masterscriptie heb ik de editie van 2012 bestudeerd en toen viel me op dat etniciteit zo’n grote rol speelt. Roemenië en Oekraïne hadden allebei zwarte performers op het podium staan, terwijl in beide landen diversiteit niet erg aan de orde is.

Grofweg is de conclusie van mijn onderzoek dat tijdens het Songfestival de westerse waarde van diversiteit heel erg naar voren wordt geschoven. Ook door deelnemende landen waar die niet op grote schaal aan de orde is. Naast etnische diversiteit gebeurt dit bijvoorbeeld ook met seksuele en genderdiversiteit; Conchita Wurst in 2014 was niet de eerste drag queen op het festival. Slovenië, Denemarken en Oekraïne hadden het al eerder gedaan.

Maar wanneer een land als Oostenrijk wint met een act als Conchita Wurst, moet  de situatie voor de LHBT-gemeenschap er wel dusdanig sterk zijn dat dit niet als een verkooptruc wordt gezien. Na die winst ontstond in Oostenrijk, waar het huwelijk nog niet is opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht, de discussie: “Hoe goed hebben wij het als lhbt-beweging eigenlijk? Onze waarden worden verkocht aan het buitenland, maar ze worden in Oostenrijk niet daadwerkelijk verdedigd.” Dat is het risico dat je neemt als land.’

English