Universiteit

Energy Academy

Hoe groen is zwart?

De Energy Academy Europe (EAE) van de RUG opent woensdag de deuren van haar nieuwe onderkomen. De ‘Academy’ richt zich op de toekomst van energie, maar de bedrijven die erachter zitten, zoals Shell, houden nog steeds vast aan traditionele fossiele brandstoffen. Hoe valt dat te rijmen?
Door Traci White en Peter Keizer / Illustratie René Lapoutre

Een van de partijen achter de oprichting van de Energy Academy, oliebedrijf Shell, bezit enorme vervuilende oliezandmijnen in Canada. Op steenworp afstand van die mijnen probeert een partner van de Energy Academy zich in te zetten voor duurzame energie.

Achter de Energy Academy zitten – naast de RUG en Hanzehogeschool – drie namen: Shell, ExxonMobil en de staat. Het zijn dezelfde partijen die de Nederlandse gasmarkt beheren.

Volgens wetenschappelijk directeur André Faaij is het logisch dat het instituut in zee gaat met grote spelers uit de olie- en gasindustrie. Ze hebben de technologie en financiën om grote slagen te slaan.

Faaij wordt boos als we hem vragen of die bedrijven niet de energietransitie tegenhouden waar de EAE naar streeft: ‘We worden to-táál níet ge-stuurd door Shell of gasbelangen.’

Hoe duurzaam is Shell? Het oliebedrijf richt zich vooral op gas, dat niet duurzaam is, maar wel schoner dan olie of kolen. Het heeft jarenlang geïnvesteerd in olie en gas, en kan dat niet zomaar opgeven. Daarnaast willen ook de aandeelhouders een stabiel rendement.

Shell blijft een grote rol spelen in de energietransitie en bij de Energy Academy.

Veel onderzoekers aan de universiteit hebben banden met Shell. Logisch, vinden de oud-Shell-medewerkers, praktijkervaring is belangrijk.

De universiteit is belangrijk voor Shell: er lopen veel getalenteerde studenten rond en de universiteit kan onderzoek doen waarvoor het bedrijf geen tijd of mankracht heeft.

Leestijd: 23 minuten (5636 woorden)

Ingeklemd tussen de Athabasca- en Clearwaterrivieren ligt een van de belangrijkste steden van Canada. Erg groot is de plaats niet, Fort McMurray telt nog geen 90.000 inwoners. Ter vergelijking: de stad Groningen heeft er zo’n 200.000. Maar net als Groningen ligt Fort McMurray op een ‘goudmijn’.

De kleine stad is gelegen in het noordoosten van de provincie Alberta en omgeven door nationale parken, heuvels en rivieren. Het is het thuisgebied van elanden, bizons, grizzly’s en zwarte beren, en een erg visrijke omgeving. Maar de belangrijkste rijkdom van het gebied zit, net als in Groningen, onder de grond.

De streek is rijk aan bitumen, oliehoudend zand. De eerste bewoners van Canada, indianenstammen zoals de Cree en Sioux, ontdekten het zwarte kleverige goedje aan de oevers van de Athabascarivier en gebruikten het om hun kano’s waterdicht te maken. Blanke ontdekkingsreizigers hadden al veel interesse in bitumen, maar het duurde nog tot 1964 voordat de Great Canadian Oil Sands Company (dat nu Suncor heet) een manier ontdekte om van het teerzand olie te maken.

Vervuilender

Die vinding zorgde voor een explosieve groei van Fort McMurray, dat toen nog een dorp was met slechts 2600 inwoners. De regio trekt sindsdien grote oliebedrijven aan: die zien wel geld in de bodem van Alberta. Shell is daar een van. Zoals het Nederlandse oliebedrijf onder de naam NAM gas uit de Groninger bodem haalt, zo besloot het eind jaren negentig ook naar Canada te gaan om daar olie uit de grond te winnen.

Zo’n 75 kilometer ten noorden van Fort McMurray kapte het bedrijf een bos en opende twee mijnen. Daar haalt Shell met enorme vrachtwagens en graafmachines het teerzand uit de bodem en verwerkt het ter plekke tot olie. De mijnen beslaan een gebied van zo’n 336 vierkante kilometer. Vier keer zo groot als de stad Groningen, en goed voor zo’n 250.000 vaten olie per dag. Ofwel 12,5 miljoen euro tegen de huidige koers.

Milieuvriendelijk is anders. Het winnen van olie uit bitumen is zelfs vervuilender dan gewone olieproductie. De open mijnen vergen veel brandstof. In 2014 stootte Shell daardoor op de velden van Alberta 5,4 miljoen ton broeikasgas uit – 12 procent meer dan het geval zou zijn bij ‘normale’ olie.

Schone energie

Op iets meer dan zes uur rijden, aan het andere uiteinde van Hell’s Highway – zo genoemd vanwege de vele ongelukken die slaperige mijnwerkers veroorzaken – staat het Clean Energy Technology Centre (CETC) in Drayton Valley. Voor Canadese begrippen is dat op steenworp afstand van de immense teerzandmijnen. Het is een klein onderwijsinstituut gericht op schone energie, en een van de samenwerkingspartners van de Energy Academy van de RUG.

Via Skype legt Manny Deol, chief operating officer van CETC, uit dat Drayton Valley net als Groningen veel ervaring heeft met fossiele brandstoffen. ‘Er zit veel zware olie in het gebied rondom Fort McMurray, maar het olieveld van Pembina, waar Drayton Valley ligt, is een van de grootste olievelden in Alberta.’ Dit olieveld werd voor het eerst aangeboord in 1953, zes jaar voordat de gasbel in Slochteren werd ontdekt.

In 2015, toen Deol en zijn collega’s plannen maakten voor de oprichting van het CETC, werden zij benaderd door een economisch attaché van de Nederlandse regering in Edmonton. Die tipte hen over de Energy Academy Europe, herinnert Deol zich.

Niet alleen wil het CETC energiedeskundigen opleiden, het centrum wil ook EnTranCe, de testfaciliteit van de Energy Academy, nabouwen. EnTranCe werd vorig jaar officieel geopend door koning Willem Alexander. Het beslaat vijf hectare van de Zernikecampus, en bestaat uit gebouwen en schuurtjes met experimentele en veelbelovende energietechnologie. Het CETC heeft in Drayton Valley 22 hectare tot haar beschikking om tests uit te voeren, vertelt Deol. Het centrum helpt bij het ontwikkelen van biobrandstof voor de Canadese vliegtuigmaatschappij WestJet en hennepvezels voor huishoudelijke apparaten. ‘We apen jullie model na.’

Locatie van teerzandmijnen van Shell in Alberta, Canada. Links voor aanvang van de winning, rechts de huidige situatie. (Bron: Google Earth)

Achter het groen

Maar wat houdt dat model in? Wat gebeurt er eigenlijk achter de deuren van dat gloednieuwe, emissievrije, en met een BREEAM-prijs beloonde EAE-pand midden op de Zernikecampus? We moeten toegeven: zelfs na maanden van onderzoek en interviews blijft het lastig te omschrijven wat de Energy Academy precies inhoudt. We weten wel dat de stichting miljoenen euro’s aan overheidssubsidies heeft ontvangen – zo droegen overheidsinstellingen, samen met EAE, 40 miljoen euro bij aan de bouw van het nieuwe onderkomen. En volgens de organisatie zelf zit het instituut niet stil. De EAE verzorgt onder andere workshops, MOOC’s en lezingen, en – zo staat op de website – is betrokken bij dertien projecten. De meeste hiervan zijn in Groningen of maken deel uit van internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties. Maar de academie is vooral een platform waar bedrijfsleven, overheidsinstanties en wetenschappers de weg naar schone energie proberen te vinden.

De houten planken rondom het gebouw, dat op 17 mei officieel wordt geopend, wekken de indruk dat het voortdurend in beweging is. Het bouwwerk beslaat bijna 15.000 vierkante meter en is daarmee een van de grootste gebouwen op Zernike. Maar van binnen is het pand grotendeels leeg: er is een enorme open ruimte in het midden, met daaromheen kantoren en laboratoria. De werkruimtes hebben glazen wanden en zijn bereikbaar via Escherachtige trappen en hellingen. De bouw duurde zes maanden langer dan gepland, omdat het gebouw aardbevingsbestendig gemaakt moest worden – de Zernikecampus wordt soms getroffen door aardbevingen, veroorzaakt door de gasboringen in de regio.

Wie door de doolhof van gangen loopt ziet workshops, vergaderingen, en Hanzemedewerkers en RUG-promovendi die geconcentreerd naar hun computerschermen staren. Hoewel het gebouw een academie heet, wordt er geen eigen wetenschappelijk onderzoek gedaan. Dat onderzoek wordt uitgevoerd door wetenschappers van diverse RUG-faculteiten, die daarvoor in sommige gevallen wel in het nieuwe EAE-pand terecht kunnen.

Het pand van de Energy Academy ademt duurzaamheid door het gebruik van veel hout, planten en ruimte. Maar een blik in de jaarverslagen van het instituut laat zien dat achter al het groen vooral fossiele bedrijven zitten. De initiatiefnemers van de Energy Academy zijn – naast de RUG en Hanzehogeschool – NAM, GasTerra en Gasunie. Daarachter zitten weer Shell, ExxonMobil en de staat.

De Academy is aan het fuseren met Energy Valley en het Energy Delta Institute. Achter die instellingen zitten een hoop namen, maar de grote belanghebbenden zijn ook in dit geval weer Shell, ExxonMobil en de staat – samen met een handjevol energiebedrijven uit Nederland, de Verenigde Arabische Emiraten, Rusland, Denemarken en Noorwegen.

Geld als motor

De Energy Academy is in het leven geroepen om de energietransitie te bevorderen. Waarom is het merendeel van haar partners dan afkomstig uit de Nederlandse olie- en gasindustrie?

André Faaij, de wetenschappelijk directeur van EAE, beweert – nogal krachtig – dat die samenwerking heel logisch is. ‘Het lijkt mij heel verstandig om het bestaande bedrijfsleven er nadrukkelijk bij te betrekken en als motor voor die veranderingen te zien’, legt hij uit. ‘Als je partijen zoekt die honderd procent duurzaam bezig zijn en die überhaupt iets kunnen financieren – die zijn er eigenlijk niet’, zegt Faaij, die ook als hoogleraar energy system analysis aan de RUG verbonden is. ‘Grunneger Power willen wij heel graag als strategisch partner, maar die hebben geen cent te makken. Maar dergelijke groepen kunnen wel meepraten over de agenda en wat we doen, ook als ze niks kunnen betalen.’

Het voordeel van grotere spelers is dat zij het kapitaal en vermogen hebben om voor continuïteit te zorgen

Volgens hem zou het dogmatisch en onrealistisch zijn om alleen in zee te gaan met partijen die zich exclusief bezighouden met duurzame energie. ‘Creatieve destructie’ noemt hij dat: ‘Dan haal je eerst al het oude weg en begin je helemaal opnieuw. Dat beeld snap ik wel, maar we hebben gewoon heel weinig tijd om dit allemaal te bewerkstelligen.’

Met ‘weinig tijd’ doelt hij op 2050. Een van de afspraken van het klimaatakkoord in Parijs is dat landen hun CO2-emissies voor dat jaar drastisch moeten verlagen; binnen de EU zelfs met 90 procent. Omdat het totale energiesysteem een enorme infrastructuur vereist (elektrische centrales, het winnen en raffineren van grondstoffen, leidingen, netten, etc.), denkt Faaij dat de grote spelers – zoals Shell, RWE en landelijke overheden – samen veel meer kunnen bereiken dan een buurt of gemeente die zonnepanelen op daken installeert. ‘Je hebt de grotere spelers nodig die, wat ze ook doen, kennis hebben over het realiseren van grote projecten en dat kunnen financieren.’

Volgens Steven Volkers, directeur van duurzame-energiecoöperatie Grunneger Power, valt het wel mee met de tijdsdruk waar Faaij over klaagt. Sterker nog, hij vindt 2050 bij lange na niet snel genoeg. ‘Ik vind het grappig dat bedrijven het heel snel vinden gaan, want ik kan me goed herinneren dat de fossiele, traditionele bedrijven altijd erg weerspannig waren. Dat zijn ze trouwens nog altijd. Maar nu we met z’n allen de fossiele brandstoffen op hebben gemaakt, roepen ze ineens dat het te snel gaat.’

Wel is Volkers het met Faaij eens dat ook traditionele bedrijven een belangrijke partij zijn in de transitie naar schone energie. ‘Het voordeel van grotere spelers is dat zij het kapitaal en vermogen hebben om voor continuïteit te zorgen. De mogelijke valkuil is echter dat die bedrijven meer geneigd zijn dat geld en vermogen aan te wenden om voor henzelf een stabiele positie te creëren.’

Grotere impact

Shell geeft jaarlijks dertig miljard uit aan de exploitatie van olie en gas, en minder dan een procent daarvan gaat naar het ontwikkelen en uitvoeren van duurzame initiatieven. Volgens Wendel Broere, woordvoerder voor Shell International, moeten die cijfers wel in perspectief worden gezien. ‘Je vergelijkt eigenlijk twee dingen die je niet kunt vergelijken: stappen maken in een nieuwe sector, met een industrie die al honderd jaar bestaat.’

Dat kan wel zijn, maar Shell wekt op deze manier niet de indruk dat het schone energie hoog in het vaandel draagt. Ook Faaij vindt dat Shell te weinig investeert in de energietransitie. ‘Ik ben het helemaal eens met de activistische beleggers die Shell onder druk proberen te zetten. Het investeringsportfolio van Shell klopt van geen kanten.’

Maar dat betekent nog niet dat je vraagtekens moet zetten bij Shells betrokkenheid bij initiatieven zoals de Energy Academy, aldus Faaij. ‘Die bedrijven zijn met ons in zee gegaan om zich te oriënteren. Wat ze verder doen met boren, en met gas- en olievelden, daar hebben wij helemaal niks mee te maken’, zegt hij.

Faaij is hét aanspreekpunt als het om de Energy Academy gaat. Iedereen binnen de RUG die ook maar iets afweet van hoe de academie en haar zakelijke partnerschappen in elkaar steken, verwijst door naar de wetenschappelijk directeur. RUG-voorzitter Sibrand Poppema (die ook in de raad van toezicht van EAE zit) en RUG-hoogleraar geo-energy en voormalig SHELL-medewerker Rien Herber (tevens voorzitter van het stichtingsbestuur van de UK, red.) weigeren beiden mee te werken aan een interview en sturen ons door naar Faaij.

Belangen

Als we hem in zijn glazen kantoor bezoeken, strooit hij met marketingtermen over de doelen van de academie, en met energiejargon. Maar als we iets te vaak terugkomen op de vraag of traditionele energiebronnen geen belemmering vormen voor innovatie, wordt hij boos.

EAE in het buitenland

De buitenlandprojecten van de Energy Academy – in Mozambique, in het Canadese Drayton Valley en in Saoedi-Arabië – zijn deels gericht op hernieuwbare bronnen. In Mozambique richt EAE zich op de grotendeels onontgonnen gasvelden voor de kust en het potentieel voor duurzame energiebronnen. Er worden onderwijsprogramma’s opgezet die aansluiten op de vraag vanuit de arbeidsmarkt, en promovendi doen er onderzoek naar duurzame energiesystemen en -markten. Drayton Valley functioneert vooral als testlocatie voor groene producten en milieuvriendelijkere processen, zoals biomassa. Ook worden er businesstrainingen gegeven. In Saoedi-Arabië werkt EAE samen met de Koning Saud Universiteit om Saoedische studenten en onderzoekers promotieposities en trainingen aan te bieden, en ze beter voor te bereiden op het veranderende energielandschap.

‘Daar wordt het portfolio van het Energy Academy-partnership to-táál níet door ge-stuurd. Shell, de gasbelangen en dergelijke bepalen to-táál níet wat wij selecteren aan onderzoeksprojecten, onderwijsprogramma’s en dat soort dingen, oké?’, zegt hij geërgerd. ‘Wat ik in iedere vraag hoor, is: “Hoe behartigen jullie de belangen van de fossiele industrie?” Stop daarmee. Het staat nu op je bandje, het is duidelijk dat ik heel boos ben. Het irriteert me. Het is geen logische vraag, want in ons hele portfolio aan activiteiten en in onze werkwijze spelen die belangen geen enkele rol.’

Het enige verband tussen Shell en EAE, aldus Faaij, is hun gezamenlijke voornemen om uiteindelijk afscheid te nemen van fossiele brandstoffen. Toch zijn drie van de dertien lopende projecten van de Energy Academy op plekken waar Shell gas en olie uit de grond haalt, of dat binnenkort gaat doen: Mozambique, Saoedi-Arabië en Canada.

Shell bezit meerdere bedrijven in Saoedi-Arabië, waaronder de Saudi Aramco Shell Refinery Company en de Saudi Petrochemical Company. Het concern heeft onlangs stappen ondernomen om een paar van die werkzaamheden van de hand te doen. Hetzelfde geldt voor de teerzandmijnen in Canada.

Je zou dit kunnen zien als teken dat Shell zich meer op groene alternatieven wil concentreren, maar uiteindelijk lijkt geld een grotere motivatie dan de toekomst van onze planeet: Royal Dutch Shell heeft een schuld van tachtig miljard dollar en verkoopt tot eind 2018 dertig miljard van haar activa. De verkoop heeft ook te maken met de dalende olieprijs: in 2014 was een vat olie nog honderd dollar waard, nu nog minder dan vijftig.

Duurzaamheid volgens Shell

Maar is het logisch dat een ‘groene universiteit’ – zoals de RUG zichzelf noemt – en de Energy Academy samenwerken met een bedrijf dat in Groningen aardbevingen veroorzaakt en in Canada een bos met de grond gelijk heeft gemaakt? Hoe duurzaam is Shell?

Het hangt er maar net van af wat je onder duurzaamheid verstaat. ‘Op dit moment zegt Shell: als je kijkt naar de hoeveelheid CO2 per calorie die wordt uitgestoten door steenkool, olie of gas, is dat bij gas veel lager dan bij steenkool’, vertelt Wilfred Alsem, die docent technology and operations management is bij FEB en daarvoor dertig jaar bij Shell heeft gewerkt.

Om de duurzame ambities van Shell te illustreren, benadrukt woordvoerder Broere dat het bedrijf steeds meer in LNG (vloeibaar aardgas) investeert. ‘Gas is de schoonste fossiele brandstof als het verbrandt’, zegt hij. Als we erop wijzen dat aardgas voornamelijk bestaat uit methaan, zegt hij: ‘Niemand zegt dat het helemaal schoon is.’ Volgens Anton Buijs, woordvoerder van EAE-partner GasTerra, klopt Broeres claim niet helemaal. ‘Aardgas is niet duurzaam, maar hernieuwbaar gas (groengas, syngas, waterstof) wel’, zegt hij.

Aardgas – een mix van verschillende gassen – bestaat voor 90 procent uit het broeikasgas methaan. Onverbrand is methaan schadelijker dan koolstofdioxide. Hoewel het sneller uit de atmosfeer verdwijnt, veroorzaakt het op korte termijn meer problemen: methaan houdt in twintig jaar tijd 86 keer meer hitte vast in de atmosfeer dan CO2.

Als belegger of pensioenhouder wil je rendement, want dan wordt je pensioen goedkoper

Er ontsnapt ook wat methaan als het wordt gewonnen en tijdens transport, en het is erg moeilijk om te meten hoeveel er precies lekt. Volgens een onderzoek in het tijdschrift Environmental Science & Technology komt er in de Verenigde Staten, waar de productie van aardgas sinds 2005 flink is toegenomen, ‘bijna drie miljard kubieke meter aardgas per jaar’ vrij.

Aandeelhouders

Eerder dit jaar onthulden The Guardian en De Correspondent dat Shell al sinds ten minste 1986 weet dat fossiele brandstoffen onweerlegbaar bijdragen aan klimaatverandering. In geheime bedrijfsdocumenten werd gewaarschuwd voor het broeikaseffect. Er werd verwezen naar wetenschappelijke artikelen uit 1975, waarin de groeiende CO2-niveaus in de atmosfeer verontrustend werden genoemd. In 1985 had het bedrijf al een werkgroep die zich richtte op broeikasgassen.

Als Shell al decennia van de schade afweet en zich er eindelijk mee lijkt te verzoenen dat het bedrijf haar aanpak moet veranderen, waarom zet het daar dan niet volledig op in? Volgens Broere leiden grote investeringen niet meteen tot innovatie: ‘Het kost tijd voor dit soort dingen om te groeien en in het begin bereik je niet meteen meer vooruitgang door er meer geld tegenaan te gooien.’

Het klopt dat Shell enkele betekenisvolle stappen heeft genomen in de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen. Broere wijst op de investeringen van Shell in windparken: een decennium geleden bouwde het bedrijf het eerste offshore windpark in de Noordzee. ‘Dat was op dat moment een erg innovatief project’, zegt hij. Ondertussen zijn windmolens veel efficiënter geworden. ‘Als we tien jaar geleden miljarden in de technologie hadden gestoken, zaten we nu opgescheept met een enorme hoeveelheid inefficiënte windmolens.’ Nu de technologie is verbeterd, bouwt Shell aan twee nieuwe offshore windparken – Borssele 3 en 4 – die veel groter zullen worden dan het oorspronkelijke Noordzeeproject.

Maar met efficiëntie wordt niet alleen de energieproductie bedoeld: het betekent ook meer winst. Faaij zegt dat Shells relatief kleine investeringen in duurzame energie te maken hebben met één woord: rendement. ‘Gas en olie uit de grond pompen levert een intern rendement van 30 procent op. Als belegger of pensioenhouder zeg je dan: “Ik wil dat rendement, want dan wordt mijn pensioen goedkoper.” En Shell kan datzelfde rendement nog niet behalen met windmolens.’

Shell zit in de houdgreep van haar aandeelhouders. Het bedrijf steekt zich zelfs in de schulden om het dividend ook in moeilijke tijden, waarin de olieprijs langdurig laag is, gewoon uit te kunnen keren, schrijft Trouw. ‘De aandeelhouders zijn de eigenaren van het bedrijf. Uiteindelijk zijn wij een bedrijf met een missie om welvaart te creëren’, zei Shell-topman Ben van Beurden in het Financieel Dagblad.

Geen afscheid van olie

En dat betekent dat het concern niet zomaar afscheid kan nemen van olie. ‘Voor een bedrijf dat altijd in de olie heeft gezeten, is het niet gemakkelijk om een transitie te maken. Sigarettenfabrikanten blijven ook produceren zolang er mensen blijven roken’, zegt Alsem.

Daarnaast kost het wel tien jaar voordat een olieplatform aan de slag kan. ‘In die tijd is de wereld helemaal omgedraaid. Er zit een enorm tijdseffect in’, vertelt Alsem. ‘Ze willen een gasmaatschappij worden. Maar je zit wel met een erfeniskwestie, je kunt niet zomaar opeens alle olievelden verkopen. Van begin tot eind kan er veertig, vijftig jaar tussen zitten, tot wanneer het reservoir een beetje leeg is. Kijk maar naar het Groninger gasveld. Dat is met veel van die projecten zo. Als je je cashflow op gang wilt houden, kun je ook niet zomaar opeens stoppen.’

De Correspondent berekende dat het budget van Shell voor onderzoek en ontwikkeling in 2015 ruim 1 miljard dollar bedroeg. Daarvan ging 160 miljoen dollar naar de ‘klimaatvriendelijke’ tak, waaronder de ‘duurzame’ projecten vallen. De rest, 930 miljoen dollar, ging naar onderzoek rond fossiele brandstoffen.

Gas is good for Europe, and Europe is good at gas

Shell zal dit jaar fors investeren: 25 miljard dollar, met name in olie en gas, zo meldde NRC anderhalve week geleden. Groene investeringen, waar een deel van de aandeelhouders om vraagt, zijn in de kwartaalcijfers niet terug te vinden.

Op 23 mei zullen de aandeelhouders van het oliebedrijf stemmen over een resolutie die Shell vraagt ‘om de leiding te nemen in de energietransitie’ en met lange-termijndoelen te komen die aansluiten bij het klimaatakkoord van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim beneden 2 graden Celsius. Shell raadt de aandeelhouders echter nadrukkelijk aan om tegen te stemmen, omdat de resolutie de flexibiliteit van het bedrijf zou ondermijnen.

Lobby

Niet alleen houdt Shell nog steeds vast aan fossiele brandstoffen als olie en gas. Het bedrijf strijdt ook actief tegen nieuwe milieuwetgeving. Uit onderzoek van The Guardian in 2015 bleek dat het bedrijf Europese doelstellingen over hernieuwbare energie wist tegen te houden door een overeenkomst over de vermindering van CO2-uitstoot te dwarsbomen.

Gas is good for Europe, and Europe is good at gas’, schreef Shell in een vijf pagina’s tellende brief aan de voorzitter van de Europese Commissie destijds.

‘Shell is niet geïnteresseerd in een echte energietransitie’, zegt Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) tegen De Correspondent. ‘We moeten weg uit de uit olie- en gashoek. Punt. Dat wil Shell niet. Shells lobby voor aardgas en tegen aparte duurzame energiedoelen maken van Shell een hindermacht die de energietransitie bewust tegenhoudt’, zegt hij.

Ook in de Verenigde Staten is Shell niet vies van lobbyen bij politici. Via kleinere organisaties geeft het bedrijf miljoenen dollars per jaar uit aan het beïnvloeden van wetgeving die effect heeft op de olie- en gasindustrie. Tussen 2008 en 2011 groeiden Shells lobbyinvesteringen met tien miljoen dollar. Een actievere lobby heeft voor een explosieve groei van de schaliegasindustrie in Amerika gezorgd: tussen 2005 en 2015 groeide de gaswinning (via fracking en boren) met 45 procent per jaar, en de beschikbaarheid van schaliegas groeide van 4 procent in 2005 tot 24 procent in 2012.

Toekomst

Het lijkt er dus op dat gas- en oliebedrijven als Shell voorlopig nog een zeer grote rol zullen spelen op de energiemarkt, voornamelijk vanwege de grootte van de internationale energie-infrastructuur. Het concern zit midden in een identiteitscrisis en ziet aardgas in de komende jaren als hét middel in de energietransitie.

Ondertussen is Energy Academy Europe aan het fuseren met Energy Valley en het Energy Delta Institute. De nieuwe organisatie zal worden geleid door Gertjan Lankhorst, voormalig directeur van GasTerra.

Dat komt rechtstreeks uit ons olieveld hier, en dat veld is schoon

‘Dat betekent dat er dingen veranderen en opgeschaald worden’, zegt Faaij. ‘Dat het gebouw er nu staat is natuurlijk een belangrijke mijlpaal – het was altijd al onze bedoeling om alles bij elkaar te brengen, met behoorlijk wat onderzoekscapaciteit van de RUG en ook onderzoeks- en onderwijscapaciteit van de Hanze. Die nieuwe organisatie, waarvan de naam nog steeds niet formeel is vastgesteld, brengt een heel portfolio aan activiteiten bij elkaar.’ Het doel van die activiteiten gaat overigens verder dan ‘alleen maar projectjes scoren’, zoals Faaij dat noemt. ‘Dat is eigenlijk minder belangrijk dan dat die infrastructuur hier wordt opgezet, en dat vergt een lange adem.’

Ook volgens Manny Deol van het Canadese CETC is het essentieel om volhardend te zijn. In Alberta betekent het dat ze voorlopig niet volledig afstappen van fossiele brandstoffen, maar de huidige processen wel schoner willen gaan maken. Het houdt in dat ze ‘ontsnappende gassen’ beter gaan opvangen. Dat processen meer worden geautomatiseerd, zodat minder mensen hoeven rond te rijden om ze te controleren. Het betekent dat kolencentrales worden omgebouwd zodat ze andere grondstoffen gaan gebruiken, zoals aardgas. ‘Dat komt rechtstreeks uit ons olieveld hier, en dat veld is schoon’, zegt hij. Het is in elk geval schoner dan steenkool.

‘De mensen in dit vak weten heus wel dat ze niet meer wegkomen met de manier waarop ze het in het verleden hebben gedaan’, zegt hij. ‘Het gaat echt stapje voor stapje, beetje bij beetje. Het gaat langzaam, maar het is wel gericht op schone energie.’

Wat zoekt Shell aan de RUG?

EAE is niet de enige plek waar studenten en medewerkers van de RUG in contact komen met de olie- en gasindustrie. Van de honderden onderzoekers bij de economiefaculteit en de Faculty of Science and Engineering (FSE) hebben er zeker 24 bij Shell gewerkt of stage gelopen, krijgen subsidies van het concern of hebben een patent op technologie of processen die door het bedrijf gebruikt worden.

Volgens de website van TKI Gas hebben gasbedrijven Gasunie en GasTerra drie onderzoeken besteld bij de RUG. Gasunie liet de universiteit onderzoek doen naar de vraag of er in toekomstige energievoorzieningen nog voldoende draagvlak bestaat voor gas als energiebron. GasTerra liet de universiteit workshops en ‘educatieve events’ geven aan politici en mensen uit het bedrijfsleven om de ‘feitelijke kennis over energietransitie en de rol van groengas en aardgas als transitiebrandstof in het bijzonder, te vergroten’. Het derde onderzoek had als doel ‘energie dicht bij de mensen te brengen’.

RUG-hoogleraar algemene rechtswetenschap Jan Brouwer heeft zijn bedenkingen bij de samenwerking met gasbedrijven. ‘Als we binnen onze faculteit kritisch kijken naar de gaswinning, is het wel heel lastig als een collega bij wijze van spreken gefinancierd wordt op basis van die gaswinning. De universiteit moet er wel voor zorgen dat objectief onderzoek kan blijven worden gedaan, want anders wordt het wel uiterst lastig.’

Wiens brood

Brouwer liet zich in 2015 openlijk kritisch uit over de NAM, dat voor de helft in handen is van Shell, door in de media te verkondigen dat het bedrijf in zijn ogen mensenrechten schond bij de gasboringen in de provincie Groningen. Volgens hem is het logisch dat universiteiten de samenwerking met het bedrijfsleven opzoeken, nu financiering vanuit de overheid afneemt. ‘Maar ik denk dat het geen kwaad kan om kritisch naar die samenwerking te kijken. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Daar moet je altijd wel voor oppassen’, aldus de hoogleraar, die zelf overigens nooit voor gasbedrijven of Shell gewerkt heeft.

Een van de bekendste RUG-medewerkers die wel op de loonlijst van het olieconcern heeft gestaan, is Nobelprijswinnaar Ben Feringa. Hij werkte zes jaar lang bij Shell-afdelingen in Groningen en Engeland (zie kader). Op vragen van de UK over zijn werk bij Shell komt geen reactie.

Ook hoogleraar Rien Herber weigert onze vragen te beantwoorden. Herber reisde dertig jaar lang voor Shell de wereld rond, op zoek naar nieuwe olie- en gasvelden. Daarnaast was hij zes jaar lang adjunct-directeur van de NAM, waarvan Shell samen met ExxonMobil aandeelhouder is. ‘Ik ben niet de juiste persoon om mee te praten’, zegt hij als we hem vragen naar de connecties tussen het oliebedrijf en de universiteit. ‘Ik heb de laatste acht jaar, sinds mijn start bij de RUG, geen verbintenis meer met Shell.’

Ben Feringa

Een van de bekendste RUG-medewerkers met een geschiedenis bij Shell is Nobelprijswinnaar Ben Feringa. De hoogleraar synthetische organische chemie werkte van 1978 tot 1984 als onderzoeker bij het oliebedrijf. Op vragen van de UK over zijn werk bij Shell krijgen we geen reactie.

Het tv-programma College Tour schonk er wel even aandacht aan. ‘Je hebt zes jaar lang gewerkt voor Shell. Dat is een bedrijf dat z’n geld verdient met fossiele brandstoffen, waar op dit moment heel veel commentaar op is, want de aarde verwarmt’, zei programmamaker Twan Huys onlangs tegen Feringa in het programma. Maar de wetenschapper ging in zijn reactie niet in op de onderliggende vraag, waarom hij had gewerkt voor een vervuilend oliebedrijf.

‘We weten allemaal dat er iets gebeurt met het klimaat’, zei Feringa. ‘We hebben heel weinig alternatieven [voor fossiele brandstof, red.], maar we moeten als de drommel beginnen met nieuwe alternatieven. Als we zonnecellen gebruiken om CO2 uit de lucht te halen en dat om te zetten voor een chemisch proces, of een brandstof, dan maak je echt een duurzame oplossing en kun je het probleem reduceren uiteindelijk. Dat vergt enorme investeringen.’

‘Intelligente mensen’

Wilfred Alsem, docent technology and operations management bij FEB, wil wel praten over zijn achtergrond bij Shell. Alsem was dertig jaar werkzaam bij het concern, onder andere als engineering manager. De kennis die hij daar heeft opgedaan, gebruikt hij tijdens zijn colleges.

‘Voor bedrijfskundigen is het onderzoeksobject een bedrijf. Dus dat je enige kennis hebt van hoe een bedrijf gemanaged wordt, lijkt wel zeer handig en logisch’, zegt hij. ‘Ik doceer asset management en heb zelf in alle fasen van de levenscyclus van installaties gewerkt, van ontwikkeling naar projecten naar operations en maintenance en decommissioning. Dus voor mij is er een een-op-eenrelatie tussen mijn vak en mijn ervaring.’

Volgens Alsem is het logisch dat sommige wetenschappers een verleden hebben bij een groot bedrijf. ‘Shell, Philips en dergelijke bedrijven huren zeer intelligente mensen in, al zeg ik het zelf’, grapt hij. ‘Dus is statistisch de kans groot dat een (ex-)medewerker van Shell op individuele gronden contact heeft met een academische instelling, of de ambitie heeft een academische bijdrage te leveren.’

Ton Broekhuis, hoogleraar producttechnologie, werkte 23 jaar bij het oliebedrijf. Volgens hem is het goed als een wetenschapper ervaring heeft opgedaan bij een bedrijf. ‘Niet noodzakelijk Shell, het mag ieder bedrijf zijn dat aan het front van de wetenschap werkt.’

‘Hoewel we als universiteit denken dat we onze studenten voornamelijk opleiden voor onderzoek, blijft slechts zo’n 10 procent bij wetenschappelijk onderzoek betrokken. Het merendeel gaat in de maak- en service-industrie werken’, zegt hij. ‘Daarom is enig gevoel voor deze omgeving zeker nuttig. Docenten met industriële ervaring kunnen dat overbrengen.’

Oog voor talent

Zelf richt het olieconcern zich ook actief op studenten. En dat is – vanuit het perspectief van Shell bezien – logisch, aldus een voormalig medewerker van het bedrijf, die alleen anoniem met de UK wilde praten. De oud-medewerker was een zogeheten campusambassadeur: als voormalig RUG-student ging hij terug naar de universiteit om nieuw talent te scouten voor Shell. ‘Ik moest nieuwe zieltjes winnen. Dat betekende dat ik het contact met studieverenigingen onderhield en dat ik sponsoring van die verenigingen verzorgde.’

Die sponsoring bestaat nog steeds aan de RUG. Drie van de zes studieverenigingen bij FSE noemen Shell als sponsor op hun website: de Fysisch-Mathematische Faculteitsvereniging (FMF), Gronings Technologisch Dispuut Bernoulli (GTDB) en Professor Francken (PF). Studievereniging TBV Lugus huurde verschillende Shell-medewerkers in als gastsprekers tijdens evenementen en organiseerde bezoeken aan de faciliteiten van Shell. Bestuursleden van studieverenigingen FMF, GTDB en PF willen niet zeggen hoeveel geld ze van hun sponsors krijgen.

Op de GTDB-website staat het doel van de ‘zilveren’ partnerschap met Shell duidelijk omschreven: verenigingsleden werven voor het bedrijf. ‘Waarom moet je bij Shell komen werken?’, staat er. ‘Het is een win-winsituatie: jij maakt je potentieel waar en wij profiteren van je vaardigheden.’ De pagina beschrijft hoe mensen bij Shell kunnen starten, welke functies in aanmerking komen en de voordelen van werken bij het bedrijf.

Geen van de vijf studieverenigingen bij FEB noemt Shell als sponsor, maar Risk en EBF maken op hun website wel reclame voor Shell-evenementen. Het olieconcern stond dit studiejaar ook op de Careers Week van FEB, met een workshop over gendergelijkheid. De Careers Company van de faculteit noemt Shell een van haar ‘vertrouwde voorkeurspartners’ en is vol lof over de Shell Business Challenge. In het Duisenberggebouw komt op de televisieschermen van de Careers Company reclame voor Shell voorbij.

Millennials

Waarom is de universiteit zo belangrijk voor Shell? ‘In het algemeen is het denk ik zo dat bedrijven hopen talentvolle studenten te vinden’, zegt Wilfred Alsem. ‘Ze geven studenten de gelegenheid er onderzoek te doen en hopen dat er talentvolle kandidaten tussen zitten.’ Dit wordt bevestigd door Shell-woordvoerder Broere, die toegeeft dat het concern via ambassadeurs en sponsoring contact hoopt te leggen met de onderzoekers van morgen.

Maar er is ook een ander aspect, aldus Alsem: universiteiten onderzoek laten doen. ‘Er is bijvoorbeeld een leerstoel in Delft die gefinancierd wordt door de oliebedrijven. Die gaat over het identificeren van reservoirs. Als je als oliebedrijf gaat boren, kom je er zelf niet aan toe om te onderzoeken hoe de grond precies werkt. En ondanks dat ze veel overhead kunnen betalen, is er wel een budget waar ze zich aan moeten houden. Het is voor Shell daarom belangrijk dat er verbinding blijft met de universiteiten.’

Voor Shell is samenwerking ook een manier om haar reputatie te verbeteren, meent Vatan Hüzeir, voorzitter van denktank Changerism en betrokken bij de actie ABPfossielvrij. Hüzeir werkt aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen in Rotterdam en doet onderzoek naar de verbanden tussen Shell en de Rotterdam School of Management.

‘Shell heeft complete marketingstrategieën over hoe ze in contact kunnen komen met millennials’, vertelt Hüzeir. De contacten tussen het oliebedrijf en de universiteiten passen in die strategie, denkt hij. ‘Er is onlangs veel ophef geweest, bijvoorbeeld over het Generation Discover Festival in Den Haag.’ De gemeente Den Haag wilde het festival – een Shell-evenement om jongeren te enthousiasmeren voor wetenschap en technologie – sponsoren, maar dat leidde tot fel protest van linkse partijen in de gemeenteraad.

Voor de universiteit is er ook reden om met Shell en andere grote bedrijven in zee te gaan, zegt Hüzeir. ‘Er staat vanuit Den Haag een enorme financiële druk op onderwijsinstellingen om meer inkomsten uit de markt te halen, om met bepaalde bedrijven te werken. En dan het liefst met bedrijven die veel geld hebben. Het gaat om de validatie van kennis, dat het onderzoek bruikbaar is voor de economie.’

English