Onderwijs

Kleine vakken kwijnen weg

Doceren in je eigen tijd

Hoe belangrijk is het om middeleeuws Latijn te geven? Of oud-Grieks? Eén ding is zeker: de docenten besteden er veel meer tijd aan dan er officieel voor staat.
Door Jelmer Buit / Illustratie Kalle Wolters

Het is niet makkelijk, zegt Bea Blokhuis. Afgelopen semester gaf ze voor de tiende keer het vak middeleeuws Latijn I. In de zaal zaten vier studenten.

Die studenten kregen vier uur college per week. Daarnaast moet ze de colleges natuurlijk voorbereiden. Er zijn opdrachten, die moeten besproken worden. Ook dat kost extra tijd. Hoeveel kan Blokhuis niet precies zeggen. Maar met haar aanstelling van 0,1 heeft ze op jaarbasis slechts 3,8 uur per week te besteden. ‘Dat kan natuurlijk niet uit.’

Ze zou graag meer studenten willen trekken, meer reclame maken. Het is immers een essentieel ondersteunend vak. Wil je onderzoek doen naar middeleeuwse geschiedenis? Dan is het onmisbaar. ‘Maar daar heb ik geen tijd voor. Of althans, die krijg ik niet.’

De situatie van Blokhuis is niet uniek binnen letteren. Docenten die college geven aan kleine groepen, steken veel meer uren in die vakken dan die ze ervoor toegewezen krijgen van de faculteit.

Vrije tijd

‘Er is een spanning tussen mijn enthousiasme en de verantwoordelijkheid die ik voel om mijn vak goed te geven, en de daadwerkelijke hoeveelheid uren die ik daarvoor krijg’, zegt Blokhuis’ collega Saskia Peels-Matthey, die een onderzoekscollege oud-Grieks geeft. ‘Die hoeveelheid uren is te weinig. Ik kan daar geen fatsoenlijk les voor geven, dus zet ik daar ook regelmatig mijn vrije tijd en onderzoekstijd voor in.

Daar kan ik geen fatsoenlijk les voor geven

‘Studenten moeten nu veel zelfstudie doen’, zegt René Cappers, die het vak archeobotanie geeft. ‘Dat komt omdat wij docenten niet genoeg uren krijgen. Vroeger stond ik uren per week in het laboratorium. Het is jammer dat zoiets nu niet meer kan.’

Jarenlang kregen docenten bij letteren uren toegewezen op basis van studiepunten (ECTS). Dat modulemodel was gericht op het ‘modelmatig vaststellen van de onderwijsvraag in groepen van 20 studenten’. Dat komt neer op 0,1 fte per tien punten. Studentenaantallen werden hier dus niet echt in meegenomen.

Te statisch

‘Je kreeg een bepaalde formatie’, zegt Sabrina Corbellini, die dit jaar het vak schrift, handschrift en druk doceerde voor vijftien studenten. ‘En daar moest je het mee doen. Ik zou alleen niet kunnen zeggen hoeveel uur ik precies per student kreeg.’

Dat dat niet werkte, was voor iedereen duidelijk. Ook voor het faculteitsbestuur. ‘Het model was te statisch’, vertelt portefeuillehouder middelen Wouter Heinen van het faculteitsbestuur. ‘Dat was heel lineair denken. Per twintig studenten maakten we een werkgroep. Maar er was geen stimulans om voor andere werkvormen te kiezen met relatief minder docenturen. Daardoor stond letteren er ook een tijdje op financieel vlak negatief voor.’

Vanaf september 2019 gaat het anders. In een nieuw urenmodel zijn de uren die de docent krijgt afhankelijk van de werkvorm én het aantal studenten. Er zijn verschillende werkvormen: hoorcolleges, werkcolleges, intensieve werkcolleges, hoorcollege-werkcollege extensief en hoorcollege-werkcollege intensief. Hiernaast bestaan ook nog extra intensieve werkcolleges.

Ieder type college krijgt straks een startaantal van tien uur. Geeft een docent bijvoorbeeld een intensief hoorcollege met werkcollege, dan krijg hij tot 49 studenten 4,6 uur per student bovenop die tien uur. Bij een extensief hoorcollege met werkcollege krijgt de docent voor dezelfde groep 3,6 uur per student. Een extra intensieve werkcollege levert 7,2 uur op. Zo nodig mag een clusterbestuur er nog wat uren bij doen.

Mooi? Betrekkelijk. Want voor Blokhuis zou dat betekenen dat ze volgend jaar 38,8 uren toegewezen krijgt, maar in werkelijkheid kost het vak haar 64 uur.

Te weinig

Ook andere docenten bij letteren zijn nog altijd niet blij. ‘Een minimum van tien uur? Daar kan ik nog net een studiehandleiding van maken’, schampert Peels-Matthey. ‘Op deze manier gaat het nieuwe model ons hard raken.’

Ook vanuit de faculteitsraad klinkt kritiek. ‘Het minimaal aantal contacturen is niet meegenomen in die vaste voet’, zegt fractievoorzitter van DAG Letteren Anke van Dijk. ‘Er wordt geen rekening gehouden met de docent.’

We moeten slim omspringen met een gelimiteerd budget

‘Tien uur is te weinig’, beaamt docent ETC (Europese Talen en Culturen) en faculteitsraadslid Stephen Milder. ‘In sommige gevallen zullen de contacturen namelijk niet gedekt worden door de werkuren die voor een college begroot zijn.’

Bovendien zou het nieuwe urenmodel duidelijke financiële prikkels bevatten om de groepen zo groot mogelijk te maken. ‘Het faculteitsbestuur zegt dat dit model eerlijker is’, zegt Van Dijk, ‘maar in mijn ogen is het minder solidair.’

Laag

‘Natuurlijk moeten we slim omspringen met een gelimiteerd budget’, zegt Milder. ‘We moeten praten over het belang van deze cursussen en niet alles laten afhangen van een paar berekeningen.’

Heinen erkent dat de vaste voet laag is. ‘Maar dat zijn echt de uren die je al nodig hebt, zelfs als het college niet doorgaat. Denk aan het maken van een studiehandleiding, of het klaarzetten van Nestor. Op het moment dat je alle contacturen in de vaste voet zou zetten, dan kom je weer in dat oude systeem terecht. Dan ligt het eigenlijk allemaal alweer vast.’

Maar wij zullen als bestuur nu eenmaal ook de financiën in de gaten moeten houden, zegt Heinen. ‘Kleine bacheloropleidingen, die een belangrijke maatschappelijke rol vervullen, houden we zeker in stand. Maar we moeten wel blijven kijken of we alles nog kunnen doen.’

Het is dus niet uit te sluiten dat er toch cursussen van het programma verdwijnen, of een jaar worden overgeslagen. ‘Dat kan bij ieder model’, stelt Heinen. ‘De vakken zijn er uiteindelijk niet omdat de docenten die vakken willen geven, maar om de studenten op een bepaalde manier op te leiden. En verplichte vakken worden altijd aangeboden.’

Verder kijken

Maar dat, vinden Milder en Van Dijk, is een verkeerde redenering. Een faculteit moet verder kijken dan naar rendementen alleen. ‘Er zullen altijd vakken zijn waar weinig studenten op afkomen, maar dat betekent niet dat die vakken nutteloos zijn. Populariteit is geen graadmeter’, stelt Van Dijk.

Populariteit is geen graadmeter

Docenten zijn intussen bang dat ze straks in hun eigen tijd staan te doceren, of onderzoekstijd moeten inleveren. Maar dat is niet de bedoeling, benadrukt Heinen. ‘Een vak moet goed gegeven worden. En dat mag niet ten koste gaan van de docent. Het is zoeken naar een optimale werkvorm en de urentoedeling moet daar in redelijkheid bijpassen.’

‘Om dat te waarborgen zijn uitvoeringsregels vastgesteld voor de clusterbesturen. Maar we verwachten wel van de docent dat deze meedenkt over alternatieve werkvormen. Wij doen het niet van luxe. Als we de problemen willen oplossen, moeten we de zaken anders gaan doen.’

Bruisend

Het model moet de faculteit juist helpen. ‘Als we eindeloos alles willen blijven doen, en je tegelijkertijd de werkdruk te lijf moet gaan, dat kan niet. Onze ambitie is om te laten zien dat wij een bruisende faculteit zijn, vol met talent. Waar studenten constant goed onderwijs krijgen. Dat betekent wel dat je die werkdruk-discussie voorbij moet. Daarvoor is dit model.’

Milder en Blokhuis zien de situatie echter een stuk minder rooskleurig in. ‘Kleine cursussen zullen misschien beschermd worden. Maar uiteindelijk komt er minder en minder plek voor’, vreest Milder.

Twintig jaar geleden was middeleeuws Latijn nog een grote studie in Groningen, weet Blokhuis. ‘Kijk eens wat daarvan is overgebleven. Het is een wonder dat er nog een kleine aanstelling is. Gelukkig zit ik nog niet tegen mijn pensioen aan. Maar of er na mij nog iemand dit vak wil geven voor zo’n kleine aanstelling? Dat zal een zware dobber worden.’

English