Universiteit

Medewerkersonderzoek in 5 thema’s

En nu doorpakken

Uit het RUG-brede medewerkersonderzoek is intussen voor elke faculteit en dienst een eigen lijst met resultaten gerold. De UK legde de lijstjes naast elkaar. Wat zijn de gemeenschappelijke problemen? Waar zitten de verschillen? En wat nu?
Door Thereza Langeler / Animatie René Lapoutre

1. De RUG is overwerkt…

Twaalf onderzoeksvragen gaan specifiek in op stress en energie. De scores liegen er niet om: RUG-personeel werkt te hard. Punt.

‘Het valt mij op dat ook het ondersteunend personeel blijkbaar veel overwerkt’, zegt Bart Beijer, voorzitter van de Personeelsfractie in de universiteitsraad. ‘Voor wetenschappers ligt het meer in de lijn der verwachting dat ze ’s avonds bijvoorbeeld nog met onderzoek bezig zijn.’

Maar alle RUG-medewerkers blijken regelmatig buiten de contractuele uren te werken. 39 procent moet vaak in zijn of haar vrije tijd aan de slag; voor 16,8 procent is overwerk eerder regel dan uitzondering. De stelling ‘De hoeveelheid werk die ik moet verzetten, is haalbaar binnen mijn contractuele uren’ krijgt dan ook een 4,8.

De werk-privébalans scoort universiteitsbreed een 6, maar op veel faculteiten ligt het cijfer lager. Bij godgeleerdheid en godsdienstwetenschap (GGW), gedrags- en maatschappijwetenschappen, Science and Engineering (FSE) en letteren geven medewerkers de werk-privébalans een cijfer onder de 5,5.

Dat de letterenfaculteit met hoge werkdruk kampt, was bekend. Het cijfer kwam voor het bestuur dus ook niet als verrassing, zegt portefeuillehouder middelen Wouter Heinen. ‘De problemen zijn bekend, en werkdrukverlaging is een speerpunt van ons beleid.’

Toch doet zo’n zwart-op-wit cijfer wel iets, net als de gesprekken die het faculteitsbestuur met de verschillende afdelingen gevoerd heeft naar aanleiding van de resultaten. ‘Dat was soms emotioneel, het zit mensen duidelijk hoog’, zegt Heinen. Tijdens één van die besprekingen vroeg iemand zich hardop af of de letterenstaf eigenlijk wel dezelfde werkgever heeft als de andere faculteiten. ‘Het verschil met de rest van de RUG is echt schrijnend.’

2. …maar dol op haar werk

Bepaald niet schrijnend is het beeld dat opdoemt uit vragen als ‘Ik heb plezier in mijn werk’, ‘Ik ben trots op wat ik doe’, ‘Ik kan mijn werk goed aan’. Daar geven medewerkers cijfers tussen de zeven en de acht, soms zelfs hoger. Ja, óók bij de geplaagde letterenfaculteit.

‘Dat is juist weer iets positiefs dat uit het onderzoek naar voren komt’, merkt Heinen op. ‘Er zit veel passie, bevlogenheid. Eigenlijk doen mensen hun werk heel graag, alleen is er nu te veel van.’

‘Onder werkdruk hóéf je ook helemaal niet te lijden’, zegt Maarten Goldberg die namens vakbond FNV in het Lokaal Overleg zit. ‘Ik geloof graag dat er een heleboel mensen met plezier meer dan veertig, vijftig uur per week werken. Maar ik vind wel dat je daar als organisatie mee moet oppassen.’

Het kan heel lang leuk blijven, maar het kan ook zomaar niet meer leuk zijn. ‘Daarom moet een leidinggevende werknemers soms ook beschermen: jij doet al een heleboel, neem er nou niet nog iets extra’s bij.’

3. Groeipijn

Naast werkdruk is er nog een thema waar de scores over de hele linie laag zijn. Voor ‘Er zijn voldoende doorgroeimogelijkheden binnen de RUG’ is de RUG-brede score een 5. De faculteiten wijsbegeerte, GGW, ruimtelijke wetenschappen en letteren zitten daaronder. Letteren het verste: daar worden de doorgroeimogelijkheden met een 3,6 beoordeeld.

Wouter Heinen snapt wel waar de ontevredenheid vandaan komt. ‘We hebben een personeelsopbouw met veel universitair docenten en veel minder universitair hoofddocenten en hoogleraren.’ Die UD’s kunnen maar beperkt hogerop komen. Daar is weinig aan te doen: ‘We kunnen niet zomaar een heleboel mensen tot UHD of zelfs tot hoogleraar bevorderen. Die personeelskosten zouden we nooit kunnen dekken.’

En buiten letteren? ‘Het heeft sterk met de tijdelijkheid van aanstellingen te maken’, denkt Maarten Goldberg. Veel faculteiten zitten met tijdelijke geldstromen waarvan ze liever geen vaste mensen aannemen, want wat als het potje over een of twee jaar leeg is?

4. Kleiner is fijner

Wil je een werkplek aan de RUG waar je je écht gewaardeerd voelt, waar je met trots en plezier werkt en waar de sfeer in je team fijn is? Het lijkt erop dat je dan bij een kleine faculteit moet zijn. Ruimtelijke wetenschappen, GGW en wijsbegeerte hebben relatief hoge cijfers op stellingen die gaan over die thema’s – met de hoogste uitschieters bij wijsbegeerte.

‘Ik kan me best voorstellen dat er een verband is tussen de grootte van een faculteit en de tevredenheid’, zegt Bart Beijer. ‘In een kleine faculteit zijn de lijntjes korter, het werk is vaak veelzijdiger en je individuele bijdrage valt meer op.’ Zijn eigen faculteit, rechtsgeleerdheid, is wat personeelsaantallen betreft ook relatief klein – en ook daar zijn de scores relatief goed.

Overigens geldt over de hele linie dat medewerkers positiever oordelen over wat dicht bij hen staat – hun directe leidinggevende, hun naaste collega’s – en negatiever zijn over de RUG als overkoepelende organisatie. Het lijkt er dus op dat de staf ondanks grote, brede problemen wél blij is met de persoonlijke werkomgeving. Al is er ook een negatieve uitleg denkbaar: hoe verder iets van je afstaat, hoe minder eng het is om erover te klagen, terwijl je misschien meer schroom voelt om negatief te zijn over de mensen met wie je dagelijks samen moet werken.

5. Wat nu?

Nu moet er iets gebeuren, zoveel is duidelijk. Maar wat?

Het bestuur van letteren werkt onverminderd door. Maandag hebben ze met het college van bestuur gepraat over wat er de komende jaren moet gebeuren, vertelt Wouter Heinen. De vertwijfelde vraag van die ene medewerker – ‘Hebben we eigenlijk wel dezelfde werkgever?’ – die heeft hij toen ook genoemd. ‘Ik vind dat het college moet weten dat dit gevoel er is.’

Hij heeft goede hoop dat er een zonnetje begint te schijnen achter de donkere wolken die de afgelopen jaren boven zijn faculteit hebben gehangen. ‘We hebben voor het eerst in jaren een sluitende meerjarenbegroting kunnen presenteren. Daardoor kan er hopelijk voor het komend academisch jaar geld worden gemaakt voor werkdrukverlichting.’

Ook voor de andere faculteiten en diensten is er werk aan de winkel. ‘Eigenlijk is dit onderzoek pas het begin’, zegt Frank Nienhuis, beleidsadviseur bij de afdeling HR van de RUG, die zich uitvoerig met het medewerkersonderzoek heeft beziggehouden. ‘Nu moeten we bedenken: wat willen we aanpakken, en hoe?’

Deze weken bespreekt ieder afzonderlijk team zijn eigen resultaten. ‘We hebben alle afdelingen gevraagd om vóór 1 april een aantal punten aan te leveren’, zegt Nienhuis. ‘Twee dingen die goed gaan, die ze zo willen houden; twee punten die ze binnen de eigen afdeling kunnen oplossen; en twee dingen die ook moeten worden opgelost, maar die niet op afdelingsniveau geregeld kunnen worden.’

Daarna is één organisatorisch stapje hoger aan zet: de faculteit. Die inventariseert ook waar ze zelf mee bezig kan, en wat nog een niveau hoger moet worden neergelegd: bij het college van bestuur. ‘Zo hebben we dit voorjaar nog een totaaloverzicht van de universiteit: wat gaat er goed, en waar zijn centrale maatregelen nodig?’

De planning is strak, beseft Nienhuis. Maar er is dan ook geen moment te verliezen. ‘Dit mag geen onderste-la-onderzoek worden, waar volgend jaar nog steeds niks mee gebeurd is.’

English