Wetenschap

Surfen in slowmotion

De digitale rimboe

Bijna een half miljoen mensen in Nederland hebben zo’n slechte internetverbinding dat je er eigenlijk maar weinig mee kunt. Foute boel, zegt cultureel geograaf Koen Salemink. ‘Want internet is geen luxe. Het is een levensbehoefte geworden.’
Door Thereza Langeler / Foto Reyer Boxem

Volgens promovendus Koen Salemink digitaliseert de wereld in zo’n hoog tempo dat internet geen luxe is, maar een levensbehoefte is geworden.

Maar tweehonderd­duizend huishoudens in de buitengebieden, oftewel een half miljoen mensen, hebben erg traag internet. Zij kunnen niet meekomen in de digitale wereld.

Hoe dat komt? Het is voor telecombedrijven niet rendabel om in het dunbevolkte buitengebied kabel aan te leggen. Dus doen ze niks.

Digitale uitsluiting is een serieus probleem. Maar het haalt moeilijk de politieke agenda, die vooral is gericht op het stadse leven.

Een derde van de Nederlandse bedrijven zit in het buitengebied. Ook scholieren en studenten kunnen daar geen gebruik maken van elektronische leeromgevingen.

Voor zijn promotie onderzocht Salemink de 145 breedbandinitiatieven die proberen een eigen breedbandkabel aan te leggen. Soms lukt dat, even zo vaak niet.

Grote kabelaars zijn, stelt Salemink, helemaal niet blij met zulke initiatieven. Zij spelen soms ‘smerige’ spelletjes om die tegen te houden.

Leestijd: 8 minuten (1206 woorden)

Misschien pak je wel eens de trein van Groningen naar, bijvoorbeeld, Amersfoort. Onderweg dood je de tijd met Facebook, WhatsApp of YouTube. Maar ergens tussen Hoogeveen en Zwolle stokken steevast alle filmpjes en berichten: geen internetverbinding. Je voelt even ergernis opborrelen, maar dan haal je je schouders op. Over een uurtje ben je immers in Amersfoort.

Voor bijna een half miljoen mensen is het continu alsof ze tussen Hoogeveen en Zwolle in de trein zitten. Zij wonen buiten de bebouwde kom van steden en dorpen: het buitengebied. Daar gaat de internettoegang nog via oude ADSL-kabels. Heel, heel traag.

Koen Salemink (1987) onderzocht die gebieden. Salemink is cultureel geograaf aan de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de RUG en promoveerde op digitale uitsluiting: niet mee kunnen komen in de steeds snellere digitale wereld. Bijvoorbeeld omdat je in het buitengebied woont en aangewezen bent op een telefoonlijntje uit de jaren negentig.

Vrijwilligers

Saleminks onderzoek richt zich met name op breedbandinitiatieven, die op tientallen plaatsen in dat buitengebied zijn ontstaan. Via die initiatieven proberen burgervrijwilligers zelf voor elkaar te krijgen dat er kabel komt in hun woonplaats. Want bedrijven als Ziggo en KPN, die in de rest van Nederland voor breedband zorgen, bedienen die buitengebieden niet, net zomin als de overheid.

Salemink licht toe: ‘Internettoegang wordt in Europa aan de markt overgelaten. Staatssteun is dus in principe niet toegestaan, behalve waar de markt faalt. En het is voor marktpartijen niet rendabel om in het buitengebied kabel aan te leggen: dat is zo duur en die gebieden zijn zo dunbevolkt dat ze verlies maken.’

De commerciële kabelaars laten zo’n tweehonderdduizend huishoudens voor wat ze zijn. En dus beroemt Nederland zich er vol trots op een van de voorlopers in de wereld te zijn op het gebied van internet, terwijl delen van datzelfde Nederland ‘een digitale rimboe zijn’, aldus Salemink.

De ADSL-verbinding waarop het buitengebied is aangewezen, levert een downloadsnelheid van acht megabit per seconde (mbps). Ter vergelijking: volgens de Europese breedbandnorm moet minimaal een downloadsnelheid van dertig mbps worden gehaald. Veel Nederlandse telecomproviders bieden al veel hogere snelheden.

Salemink: ‘Die snelheid van acht mbps halen de mensen die heel dicht bij het ADSL-kastje wonen. Dan kun je een YouTube-videootje kijken, skypen lukt in theorie ook wel. Maar zodra iemand anders in huis online gaat, hapert alles meteen.’

Breedbandsituatie Nederland

Echt vervelend wordt het voor de mensen die verder van het ADSL-kastje af wonen. ‘Hoe groter de afstand, hoe erger het wordt. Er zijn mensen bij wie vrijwel niks kan. Websites laden niet. Of ze moeten iets uploaden, voor hun werk of voor school, en krijgen een time-out: sorry, duurde te lang, we hebben je eruit geflikkerd.’

Laatdunkend

Het gaat Salemink aan het hart, merk je als je met hem praat. Vooral de houding van de gemiddelde stedeling die laatdunkend glimlacht om ‘digitale uitsluiting’ stoort hem. Want die boeren en buitenlui hebben er toch zelf voor gekozen om in the middle of nowhere te wonen? Kunnen die dan niet gewoon voor lief nemen dat het laden van hun YouTube-video iets langer duurt?

Nee, dat kunnen ze niet, stelt hij. ‘Internet wordt vaak nog gezien als luxe’, zegt Salemink. ‘Maar alles digitaliseert in zo’n hoog tempo – de overheid, de banken, het onderwijs – dat het ondertussen een levensbehoefte is geworden.’

Gevolgen

En dus gaan de gevolgen ook verder dan iets langer wachten op je YouTube-video. Salemink somt op: ‘Bedrijven hebben er last van: bijna een derde van de Nederlandse bedrijven zit in het buitengebied. Studenten kunnen geen gebruik maken van elektronische leeromgevingen. Het toerisme neemt af, want wie wil er tegenwoordig nog op een camping zitten waar de wifi het nauwelijks doet? Het woongenot neemt af, de huizen worden minder waard.’

Digitale uitsluiting is een probleem dat maar moeilijk de politieke agenda haalt, omdat het niet het probleem is van de steden. ‘Het beleid in Nederland is enorm gericht op de jonge, hoogopgeleide stadsbewoner. Logisch, want daar kan de regering mooie positieve verhalen over vertellen.’ Schamper: ‘Kijk ons toch eens. Nederland start-upland. De stad is de norm, daar moet alles snel en up-to-date. En de mensen buiten de stad blijven achter.’

Achterblijvers

Salemink is altijd al geboeid geweest door de achterblijvers. ‘Alles wat aan de randjes zit en er net niet helemaal bij hoort, vind ik interessant. Dan wil ik graag verder uitzoeken waarom die mensen en die plekken er niet bij horen.’ Dat hij opgroeide in een Twents dorpje, vlak bij de Duitse grens, draagt bij aan die interesse. ‘Ik ben me vroeg bewust geworden wat er allemaal bij hoort als je aan de rand zit.’

Je eigen internet regelen is een van de dingen. Voor zijn promotie onderzocht Salemink de 145 breedbandinitiatieven die, met overheidssteun en buiten commerciële telecombedrijven om, proberen een eigen breedbandkabel aan te leggen. Op een aantal plaatsen is het, tot grote trots van de initiatiefnemers, al gelukt. Maar lang niet iedereen heeft succes.

‘We zien dat die initiatieven vaak heel ambitieus beginnen. Maar al snel merken mensen dat het behoorlijk ingewikkeld is. Ze moeten zelf nadenken over waar alle kastjes komen te staan, ze moeten met de overheid om tafel voor vergunningen, ze moeten met bouwondernemers om tafel die de kabel moeten leggen.’

‘Niet blij’

Bovendien liggen telecombedrijven dwars. Salemink: ‘Grote kabelaars zijn helemaal niet blij met die initiatieven. Ze roepen zelf altijd dat er niks kan in het buitengebied omdat het niet rendabel is, maar als gewone burgers het dan wel voor elkaar krijgen – en ook nog tegen een concurrerende prijs – staan ze er natuurlijk gekleurd op.’

Dus doen providers er alles aan om breedbandinitiatieven tegen te houden. ‘We kennen gevallen van zwartmaking via opinieartikelen in de media. Dan noemen ze breedbandinitiatieven amateuristisch, en overheidssteun ervoor geldverspilling.’

‘Soms presenteren ze ook ineens eigen plannen. Dan gaan mensen weer twijfelen: als een groot bedrijf hier ook actief wordt, waarom zou ik dan een abonnement kopen bij de vrijwilligers uit het dorp? Niet dat die kabelaar dan ook gaat leveren. Alleen het presenteren van het plan is al genoeg.’ Verontwaardigd: ‘Er worden echt smerige spelletjes gespeeld.’

Twijfels

De dingen die Salemink in zijn onderzoek heeft gezien, maken dat hij zijn twijfels heeft bij de toenemende mate waarin de overheid burgers alles zelf maar laat uitzoeken. ‘Als dit nou de participatiesamenleving is, moet je je ernstig afvragen of dat wel een goede zaak is. Of je die mensen zoveel stress kunt geven, zoveel verantwoordelijkheden. Volunteer burnout is ondertussen al een begrip.’

In de ideale wereld, zegt Salemink, stelt de overheid voldoende geld beschikbaar én kunnen vrijwilligers er open over zijn als ze vastlopen. ‘Kwetsbaarheid loont nu niet in vrijwilligersland. Soms vroeg ik voor mijn onderzoek aan mensen hoeveel vertrouwen ze nog in hun eigen initiatief hadden, en dan gaven ze aan dat ze moe en vertwijfeld waren.’

Maar niemand die dat tegen de overheid durft te zeggen, constateert Salemink, want die trekt dan misschien de financiële steun in. ‘Als de overheid eigen initiatief verwacht van burgers, moeten ze er ook alles aan doen om die mensen te helpen en niet tegen te werken.’