Universiteit

RUG-baas Jouke de Vries begint nu pas echt

‘De gordels mogen los’

Na vijf maanden in Groningen is Jouke de Vries op stoom als collegevoorzitter van de RUG. ‘Ik wil vóóruit met deze universiteit.’
Door Thereza Langeler / Foto’s Reyer Boxem

Personalia

Jouke de Vries werd op 26 september 1960 geboren in Deersum, vlakbij Sneek, en groeide op in Balk aan het Slotermeer. Hij studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, met een specialisatie in bestuurskunde. Vanaf 1984 werkte hij aan diezelfde universiteit als wetenschappelijk medewerker en later als universitair docent en promoveerde er (in 1989).

In 1999 werd hij hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. Vervolgens bouwde hij voor die universiteit de dependance Campus Den Haag op, waarvan hij ook wetenschappelijk directeur werd. In 2015 benoemde de RUG hem tot hoogleraar Governance & Public Policy, en decaan van de Campus Fryslân in Leeuwarden.

Jouke de Vries is getrouwd en heeft twee kinderen. Hij woont nog in Leiden, maar verhuist binnenkort naar Zuidlaren.

In de aula van het Academiegebouw spreekt bijna iedere dinsdag een hoogleraar zijn of haar oratie uit. Jouke de Vries is daar altijd bij. Hij luistert naar de lezing, met belangstelling en plezier, maar zijn favoriete moment is eigenlijk vlak vóór de oratie begint.

‘Dan zie je uit de Senaatskamer de rector komen, met alle hoogleraren. Ik kom van de andere kant met de vicevoorzitter van het bestuur en de voorzitter van de universiteitsraad.’ De Vries spreidt de armen, brengt dan de handen weer dichter bij elkaar. ‘En dan komen we zo naar elkaar toe, en dan ga je die zaal in.’

Van zoiets, een ritueel uit een andere tijd, kan De Vries echt genieten. Net als van wandelen door de statige universiteitsgebouwen, denkend aan alle grote namen die ooit door dezelfde gangen liepen. Van precies het tegenovergestelde, van wat nieuw is en modern en wat je van de grond af moet opbouwen, gaat zijn bloed óók sneller stromen. ‘Ik zit wat ingewikkeld in elkaar’, zal hij ergens in het gesprek opmerken, ‘ik vind heel erg veel interessant.’

Ruim vijf maanden wordt de RUG nu bestierd door Jouke de Vries (58), een Fries uit Leiden, hoogleraar bestuurskunde, gespecialiseerd in besluitvormingstheorie. Hij zit in zijn ruime, lichte werkkamer aan de Oude Boteringestraat 44. Wat zijn diepe stem aan expressie mist, compenseert hij met weidse gebaren bij het vertellen.

Fascinerend

Hij is nu ‘op vlieghoogte’, zo noemt hij het zelf. ‘De gordels mogen af, zeg maar.’ Om daar te komen heeft hij de afgelopen maanden kennisgemaakt met, ja, eigenlijk iedereen. Alle faculteiten, diensten, afdelingen en subafdelingen van de universiteit kregen de voorzitter op bezoek. ‘Dit is een heel grote, brede universiteit met allerlei vakgebieden, ook gebieden waar je zelf niet veel vanaf weet.’

En ergens weinig vanaf weten, dat kan De Vries slecht hebben. Hij is iemand die zich verdiept, die kijkt, luistert en observeert, net zo lang tot hij denkt: nu zit ik er echt in. Als politicologiestudent volstond hij niet met het doorbladeren van de verplichte literatuur, hij las álles wat er over een vak te lezen viel. Als collegevoorzitter volstaat hij niet met de gebruikelijke overleggen met de usual suspects, hij wil van álle medewerkers weten: wie ben jij en wat doe je?

‘Ze hebben me overal enthousiast ontvangen. Ik vond het fascinerend om mensen te horen vertellen over hun werk’, zegt hij. En de mensen vertelden vrijmoedig. Eigenlijk ziet De Vries daar het enige wezenlijke verschil tussen de RUG en zijn vorige werkgever, de Rijksuniversiteit Leiden.

Hier zijn de lijntjes kort en de contacten direct. ‘Het gaat van: Welkom, dit is onze organisatie, we zijn er trots op, dit speelt er, kun jij helpen om bepaalde zaken op te lossen?’

Glimmende ogen

Nee, zo zouden ze in Leiden hun collegevoorzitter niet zo gauw aanspreken. Maar hij kan de Groningse stijl wel waarderen. Het kennismakingsrondje vond hij zo leuk dat hij het in één adem noemt met de uitreiking van het eredoctoraat aan Ban Ki-moon. Toch een absoluut hoogtepunt van De Vries’ eerste maanden, met een ceremonie in de Martinikerk en de opening van het nieuwe Klimaatcentrum op Zernike.

Ik ben trots op deze instelling, met al haar tradities en prestaties

Het was ook een uitgelezen gelegenheid om een typisch Jouke de Vries-trekje in de praktijk te zien: als hij het naar zijn zin heeft, mag iedereen dat weten. Grijns van oor tot oor, glimmende ogen achter zijn brilletje.

Tijdens het muzikale intermezzo – studentenorkest Mira met nummers van Aretha Franklin en George Michael – gaan zijn handen en voeten schijnbaar automatisch mee op het ritme. Het ietwat stugge dat hij over zich kan hebben, smelt als sneeuw voor de zon van hem af. Hij straalt.

‘Ja, dat doe ik dan, stralen, omdat ik het mooi vind’, verklaart hij. ‘Ik ben trots op deze instelling, met al haar tradities en prestaties. Went dat niet? zou je kunnen denken. Nee, dat doet het eigenlijk niet. Het blíjft mooi.’

Het verleden

Frustreert iets De Vries, dan zul je dat overigens ook merken. Op de laatste donderdag van februari dreunde het bestuursgebouw aan de Oude Boteringestraat ervan. De universiteitsraad had zojuist zijn nogal vernietigende oordeel uitgesproken over het onderzoek naar de urenverantwoording voor ‘Yantai’.

Lang verhaal héél kort: er zijn tussen 2015 en 2017 meer uren aan de voorbereiding voor de geplande Chinese branch campus besteed dan wat er op papier staat. Zo besteedde de RUG toch belastinggeld aan de activiteiten, terwijl dat niet mocht.

Onderzoeksleider Leendert Klaassen concludeert dat er weliswaar fouten gemaakt zijn, maar vermoedt daar geen kwade opzet achter. De u-raad denkt er heel anders over en spreekt van onbehoorlijk bestuur dat niet zonder consequenties kan blijven. ‘Ik wil vóóruit met deze universiteit’, voer De Vries uit, ‘en ik ben al mijn tijd kwijt aan dossiers uit het verleden.’

‘Ik snap de wens om te kijken naar wat er nou precies gebeurd is, en wat we daarvan kunnen leren’, verduidelijkt hij. ‘Dus daar wil ik graag in investeren, samen met de raad, ik wil ze graag geven wat ze nodig hebben om de zaak af te sluiten.’ Die verkeerd gedeclareerde uren worden, wat hem betreft, zo ruimhartig mogelijk gecompenseerd.

Golf van kritiek

Maar er is ook zoveel ander werk aan de winkel – de financiering van het hoger onderwijs gaat mogelijk ingrijpend veranderen, er is een werkdrukprobleem op te lossen, er moet een strategisch plan komen voor de jaren 2020-2025. ‘Ik wil daarmee aan de slag, bezig met wat eraan komt. Zo moet je mijn verzoek van afgelopen donderdag een beetje zien.’

Viel de bijeenkomst hem zwaar? ‘Welnee. Het hoort bij het vak. Als je aan deze baan begint, weet je dat er lopende zaken zijn – ook lastige. Daar heb ik rekening mee te houden.’ Zo is het leven van een collegevoorzitter. De ene dag zit je te stralen op de eerste rij bij Ban Ki-moon, de andere onderga je de zoveelste golf kritiek voor een project dat nooit het jouwe geweest is, waar je niet eens onverdeeld positief over bent.

Ik vond transnationale educatie heel interessant

‘Ik vond transnationale educatie in het begin een heel interessant idee’, zegt De Vries. ‘Er is een beetje een beeld ontstaan dat ik me alleen maar op de regio wil richten, maar zeker voor de universiteit ben ik een groot voorstander van internationalisering. Ik heb me wel altijd afgevraagd: is dit niet te groot? En als uiteindelijk blijkt dat er geen draagvlak is, vind ik dat je het moet afsluiten.’

Poppema

Een klein halfjaar geleden zat De Vries’ voorganger Sibrand Poppema aan dezelfde tafel in dezelfde werkkamer. ‘Moet ik accepteren dat de universiteitsraad het allemaal beter weet dan het college van bestuur, de raad van toezicht en het bureau?’ zei Poppema toen. En: ‘Dat Yantai niet doorgaat, is een nederlaag voor de RUG.’

Is De Vries anders dan Poppema? Daar moet hij even over nadenken. Vooropgesteld: hij praat liever niet over zijn voorganger. ‘Dat vind ik niet zo chic. Maar ik weet niet of hij zich óók zou omschrijven als een faciliterend leider.’

Dat is wel het woord dat De Vries kiest om zichzelf te typeren. Faciliteren, mogelijk maken dat andere mensen dingen bereiken, langs de weg der geleidelijkheid naar het einddoel.

‘Zet je te grote stappen, dan krijg je je mensen niet mee. Daarom is goed luisteren belangrijk. Ik ben best besluitvaardig, maar ik moet wel heel zeker weten dat een besluit in goede aarde valt. Poppema zat, denk ik, meer in de lijn van iets groots willen neerzetten. Hij heeft ontzettend veel betekend voor de RUG – krijg maar eens een universiteit in de wereldwijde top 100.’

Bedachtzaam: ‘Alleen werden aan het einde de stappen misschien te groot.’

Pionierswerk

Lange tijd kreeg De Vries al die stappen maar zijdelings mee. Hij werkt sinds 2015 voor de RUG, maar bracht zijn eerste drie jaar door in Leeuwarden als decaan van de Campus Fryslân in wording. Zijn oud-collega’s hebben De Vries nog niet uit alle mailinglijsten gehaald, dus ziet hij zo nu en dan bijvoorbeeld iets langskomen over het nieuwe gebouw dat binnenkort geopend wordt. En dan heeft hij het toch even moeilijk.

‘Het was pionierswerk, hè? Ik weet nog dat de eerste contouren van het plan op de achterkant van een sigarendoosje stonden. Zien hoe dat groeit, hoe de dingen die je samen hebt bedacht ook realiteit worden, dat is heel mooi.’

Op zijn boekenkast ligt een enorme, met pompeblêd-dessin beklede fierljepstok, die hij van het Friese team meekreeg bij zijn afscheid. ‘Je begint daar met een paar mensen, er komen er steeds meer bij, er ontstaat een sfeer van: wij gaan dit met z’n allen opbouwen. Het is een heel hechte club geworden. Die mis ik wel eens, ja.’

Net zoals hij met de nodige pijn in het hart Leeuwarden voor Groningen verruilde, betekende zijn bestuurswerk dat hij een andere liefde, de wetenschap, moest opgeven. Vanaf zijn studententijd was hij al helemaal in de ban van zijn vak. ‘Mijn kinderen zeggen altijd dat ik een soort nerd was’, grinnikt hij.

Presteersfeer

Van de beste docenten herinnert hij zich de colleges nog steeds. Neem Hans Daudt, de man bij wie hij later zou promoveren, en die zijn studenten rustig voor één college een vuistdik boek liet samenvatten. Nou, dan moest je net Jouke de Vries hebben.

Ik zocht die presteersfeer op, dat doe ik nog steeds

Hij zegt: ‘Hier, ik kan het zo vinden’, staat op, en loopt naar zijn tjokvolle boekenkast. Hij komt terug met Kapitalisme, socialisme en democratie. ‘Van Schumpeter. Had Daudt zelf vertaald.’ Daar beginnen de ogen weer te glimmen achter de bril. ‘En dan zaten we daar met twaalf studenten en je wist niet wie de beurt kreeg, dus je móést het wel voorbereiden. Ik had erg m’n best gedaan op mijn samenvatting, ik vond ‘m zelf goed gelukt. Zei Daudt: “Redelijk, maar je bent noot nummer zoveel op pagina zoveel vergeten”.’

In die toonsoort stond zijn studietijd, en later ook zijn wetenschappelijke carrière. Steeds meer nieuwe kennis opdoen, altijd maar beter worden, het eerste halen. Natuurlijk waren niet alle politicologiecolleges van het kaliber Daudt, maar, zo redeneerde De Vries, wat heb ik in vredesnaam aan een makkelijk college? ‘Ik zocht die presteersfeer op, dat doe ik nog steeds.’

Intellectuele jamsessies

Als hij college gaf aan een zaal met driehonderd studenten en twee ervan zaten de krant te lezen, dan was het college pas geslaagd als die twee de krant hadden neergelegd. En nu hij geen docent meer is, maar collegevoorzitter? Wat zou zijn ambtstermijn geslaagd maken?

‘Groningen moet echt die magneet zijn, waarvan mensen zeggen: daar is de reuring, daar gebeurt het.’ ‘Het’, dat betekent ruwweg: excellent fundamenteel onderzoek, sterke samenwerking met bedrijven en organisaties in het noorden en Duitsland – daar komt die regionale focus om de hoek kijken – en het best mogelijke onderwijs op alle niveaus. Op de best mogelijke schaal, ook. ‘We moeten ook echt gaan kijken naar wat het optimum is voor deze universiteit. Zijn dat 30.000, 35.000, of toch 25.000 studenten? Wat kunnen we accommoderen?’

Binnenkort beginnen de besprekingen voor het strategisch plan voor de jaren 2020-2025, waarin hij zijn ideeën verder kan uitdiepen en overleggen. De Vries heeft iets voor ogen dat hij ‘intellectuele jamsessies’ noemt – hij beeldt er met z’n handen een soort trompet bij uit. ‘Ik begin met iets te roepen, de decanen leveren hun ideeën aan, de universiteitsraad komt erbij, de studenten; en zo wordt het muziekstuk steeds mooier.’

In een jamsessie kan de muziek ook wendingen nemen die je als trompettist zelf niet zou hebben bedacht. Zou De Vries daarmee kunnen leven?

Hij denkt even na, de glimlach breekt weer door. ‘Als ik het mooi vind, blijf ik wel luisteren.’

English