Onderwijs
Foto Mediawijzer.net

Wat te doen met een academische juf

Daar sta je dan met je hersenen

De kwaliteit van het basisonderwijs moest omhoog en dus kwam er een academische pabo. Maar nu de universitair geschoolde juffen en meesters voor de klas staan, worden hun kwaliteiten amper benut.

Koen Marée

Door Koen Marée

6 januari om 13:05 uur.
Laatst gewijzigd op 6 januari 2020
om 16:11 uur.
Koen Marée

By Koen Marée

januari 6 at 13:05 PM.
Last modified on januari 6, 2020
at 16:11 PM.

Nee, zelf deed Stan Wolbers (24) niet mee aan de grote onderwijsstaking van 6 november. Wel konden de demonstrerende basisschoolleerkrachten op zijn sympathie rekenen. ‘Meer geld voor salarissen en werkdrukvermindering zou helemaal niet gek zijn. Wat je later in je leven ook wordt, je begint altijd op de basisschool. Daar mag je in investeren.’ 

Zelfs nu de mindere kanten van het primair onderwijs zo belicht worden, is werken als leerkracht Wolbers’ droombaan. Hij roept al sinds zijn zesde dat hij voor de klas wil staan. Lang was zijn vizier gericht op de ‘normale’ pabo, totdat hij er in de zesde klas van het vwo achter kwam dat je op de universiteit ook kan worden opgeleid tot basisschooldocent. En wel bij de academische opleiding basisschoolleerkracht (AOLB), beter bekend als de academische pabo.

Iedereen begint op de basisschool, dus daar mag je in investeren

De eerste academische pabo ging in 2008 van start aan de Universiteit Utrecht. Andere steden volgden snel; Groningen in september 2010. In vier jaar tijd halen studenten een diploma pedagogische wetenschappen aan de RUG en een diploma leraar primair onderwijs aan NHL Stenden of de Hanzehogeschool. 

De academische pabo werd ingevoerd omdat veel te weinig vwo’ers ervoor kozen om les te geven in het basisonderwijs. Niet uit gebrek aan interesse, maar omdat ze liever universitair onderwijs wilden volgen dan een HBO-opleiding. Een toename van het aantal hoogopgeleiden voor de klas zou een kwaliteitsimpuls betekenen voor het primair onderwijs. 

Ongebruikte kennis 

Bijna tien jaar later is de opleiding, die op dit moment 220 studenten telt, volgens programmacoördinator Hanke Korpershoek zeker een succes te noemen. ‘Het grootste gedeelte van de afgestudeerden werkt in het onderwijs en staat voor de klas, hoewel er ook alumni zijn die een andere richting op zijn gegaan.’

Maar als ze eenmaal voor de klas staan, wordt de theoretische kennis van de academisch geschoolden niet altijd gebruikt, vinden ze. In een vorig jaar verschenen overheidsrapport, Loopbaanpaden in het primair onderwijs, geeft 85 procent van hen aan dat ze te weinig doorgroeimogelijkheden zien. Het risico is dat ze uiteindelijk de praktijkkant van het onderwijs verlaten.

Veel studenten kunnen al aan het werk voor ze hun diploma in ontvangst hebben genomen

Wolbers komt met een concreet voorbeeld: ‘Soms is het zo dat er een nieuwe lesmethode wordt ingevoerd, met als argument: laten we het eens proberen. Een academische leerkracht zou daar kritisch naar kunnen kijken en een literatuuronderzoek kunnen doen. Sommige scholen doen dat ook, maar in de breedte wordt te weinig gebruik gemaakt van de talenten.’

‘Schoolbestuurders weten wel steeds beter om te gaan met een gemengd team van klassenassistenten, reguliere en academische leerkrachten’, merkt Korpershoek op. ‘Ze kijken hoe ieders kwaliteiten benut kunnen worden.’ Bang dat de academische leerkrachten uiteindelijk wegvloeien naar beter betaalde functies buiten het klaslokaal, is ze niet. ‘Ook al zouden ze maar vijf tot tien jaar voor de klas staan, dan hebben ze toch al die jaren hun steentje bijgedragen.’

Korpershoek ziet dat het huidige lerarentekort tot andere problemen leidt. ‘De scholen staan te springen om nieuw personeel, waardoor veel van onze studenten nog voordat ze hun diploma’s in ontvangst hebben genomen al aan het werk kunnen. Er wordt aan de studenten getrokken. Het zijn startende leerkrachten die nog wel begeleiding nodig hebben, en die begeleiding komt gauw in het geding als er tekorten zijn.’

Geen invallers

Maartje Meijer (25) kan erover meepraten. Nog tijdens het schrijven van haar scriptie werd ze benaderd om in te vallen als leerkracht. Eerst bij haar stageschool, later bij de Groningse Buitenschool in Haren, waar in korte tijd twee docenten met zwangerschapsverlof gingen. Sinds deze zomer behoort ze tot de vaste staf aan diezelfde school en staat ze vier dagen per week voor de klas.

‘Bij ons is de bezetting rond, maar bij ziekte kunnen we eigenlijk geen vervanging krijgen. We hebben nog nooit een klas naar huis hoeven sturen. Dat kan ook niet: we zijn een school met veel chronisch zieke leerlingen die je niet zomaar kan laten gaan. We verspreiden in zo’n geval de leerlingen over de andere groepen.’

Normaal zou de school in zo’n geval een invaller regelen. ‘Maar veel scholen zeggen na de stage van een student al: je hebt genoeg laten zien, dus je kunt nu voor de klas. Terwijl ze nog niet klaar zijn met de opleiding. Er zit eigenlijk niemand in de invalpoule.’

Imagoprobleem

Er zijn, kortom, meer leraren nodig. Meijer en Wolbers noemen het beiden een imagoprobleem: ‘Hoe maken we het hipper’, vraagt Meijer zich af. Wolbers: ‘Het beroep van leraar klinkt een beetje sullig. Daarnaast is de uitstraling ook: lage salarissen en hoge werkdruk. Door dat continu uit te dragen maak je het niet positiever, maar het is ook zeker niet onterecht dat het benoemd wordt. Ik denk dat de waardering omhoog gaat als de werkdruk minder hoog wordt.’

Ik vind meester zijn heel leuk, maar ik zie het me niet twintig jaar doen

Dat scholen en politici nu noodoplossingen aandragen, door bijvoorbeeld ouders voor de klas te zetten, geeft ze een dubbel gevoel. ‘Soms moet er een snelle oplossing zijn, en het kan zijn dat die ouder er ook echt gevoel voor heeft. Aan de andere kant bevordert het niet de kwaliteit van het onderwijs’, zegt Meijer.

Korpershoek sluit zich daarbij aan. ‘Een beter salaris, op zijn minst in lijn met de salarissen in het voortgezet onderwijs, is een noodzakelijke voorwaarde om academische leerkrachten te behouden. En er moet serieuze aandacht komen voor het terugdringen van de werkdruk in het basisonderwijs.’

Wolbers weet inmiddels dat hij niet voor eeuwig voor de klas zal staan. ‘Ik zit in een tweestrijd. Ik loop nu stage in groep 6 en vind meester zijn heel erg leuk. Maar ik zie het me niet twintig jaar doen. De afgelopen jaren heb ik in de faculteitsraad gezeten en ben ik student-assessor geweest. Toen heb ik ontdekt dat ik de beleidskant van onderwijs ook heel leuk vind. Maar ook daarvoor is het opdoen van praktijkervaring erg belangrijk.’