Universiteit

Promotiestudenten

Al doende leer je

In september brak op de RUG een nieuw tijdperk aan: dat van de promotiestudent. De UK bekeek een onderzoeksgroep van dichtbij om een beeld te krijgen van de eerste maanden van het promotie-experiment. Zoals zoveel pilots kende de proef aanvankelijk wat kinderziektes. ‘Maar nu werkt alles prima.’
Tekst en foto’s door Traci White / Vertaling door Sarah van Steenderen

Tijdens de laatste vier maanden van 2016 zijn 167 promotiestudenten begonnen aan hun onderzoek bij de RUG of het UMCG, als onderdeel van een proef die is goedgekeurd door het ministerie van Onderwijs. Binnen deze pilot worden ze niet als medewerkers gezien, maar als studenten.

De studenten doen gewoon onderzoek zoals traditionele promovendi, met als verschil dat ze hun eigen onderzoeksvoorstel mogen doen en geen pensioen sparen of vakantiegeld krijgen.

Het experiment werd in april goedgekeurd en de eerste promotiestudenten begonnen in september. Omdat het allemaal erg snel moest, bestaat de eerste lichting uit buitenlandse studenten met een eigen beurs en studenten die afkomstig zijn van de beste masteropleidingen van de RUG.

In elk geval één onderzoeksgroep bij ERIBA liep tegen technische problemen aan: de promotiestudenten hadden de eerste paar weken nog geen ondertekend contract en hun toegangspasjes deden het niet.

Groningen kreeg 850 plekken toegewezen voor het experiment. Omdat die posities erg in trek blijken, vooral bij buitenlandse kandidaten, wil de RUG er graag nog meer.

Leestijd: 10 minuten (2103 woorden)

Arthur Svendsen deelt zijn bureau met de andere promotiestudenten in zijn onderzoeksgroep, en dat bureau valt op in de grote ruimte op de tweede verdieping van het European Research Institute for the Biology of Ageing (ERIBA): ze hebben hun computers versierd met twee knuffels: een octopus en een olijke zeehond uit de film Finding Dory. De zeehond, die Gerald heet, is een knipoog naar hun Principal Investigator (PI), hoogleraar Gerald de Haan.

Svendsen ging in september aan de slag bij ERIBA, nadat hij zijn master medical and pharmaceutical drug innovation had behaald. Zoals veel van zijn klasgenoten was hij van plan om te promoveren, in Groningen of ergens anders. Hij is blij dat hij zijn onderzoek hier kan doen, maar had wel gemengde gevoelens toen de traditionele promotieplek waar hij tijdens zijn master over had gehoord, toch iets anders in elkaar bleek te zitten. ‘Een paar maanden voordat ik afstudeerde, veranderde alles opeens.’

Aan een nabijgelegen bureau zit een ander lid van de onderzoeksgroep, Daozheng ‘Jason’ Yang. Yang moet nog een beetje wennen. Hij kwam begin november aan in Groningen en is nog altijd erg onder de indruk van zijn werkomgeving. ‘De voorzieningen hier zijn geweldig, zoveel beter dan het lab waar ik tijdens mijn master in China zat’, zegt hij.

‘Het is een luxepositie’

Het onderzoek van Svendsen en Yang richt zich op het verouderingsproces van hematopoïetische cellen. Dit zijn stamcellen die gebruikt worden om alle andere bloedcellen te maken. Het brandschone laboratorium waar ze werken bevindt zich op de UMCG-campus. Ze zijn twee van de 167 studenten die in de laatste vier maanden van 2016 bij de RUG en het UMCG aan de slag gingen met hun onderzoek. Het zijn geen medewerkers, maar studenten die meedoen aan het experiment met promotieonderwijs.

Svendsen en Yangs betrekkingen maken onderdeel uit van dit gloednieuwe promotieonderwijsexperiment dat op 1 september van start ging. Nederland is een van de weinige landen die alle promovendi aan de universiteit als werknemers zag – alleen Denemarken en Bosnië en Herzegovina doen dat ook. ‘In het Verenigd Koninkrijk of Duitsland verdienen promovendi veel minder, dus hier is het wel een luxepositie’, zegt Svendsen.

ERIBA is slechts een van de UMCG-instellingen die meedoen aan de proef, die is goedgekeurd door het ministerie van Onderwijs en de Eerste en Tweede Kamer. Tot nu toe hebben het UMCG en de Faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen de meeste promotiestudenten: respectievelijk 48 en 60. Ongeveer twee derde van de plekken wordt gevuld door buitenlandse onderzoekers, de rest door Nederlanders.

Omdat het studenten zijn, verschilt hun financiële en wettelijke status binnen de universiteit van die van normale promovendi. Er zijn algemene regels voor de promotiestudenten – het zijn geen officiële werknemers en ze genieten niet dezelfde financiële baten, maar ze mogen hun eigen onderzoeksvoorstel doen en volgen een speciaal onderwijsprogramma – maar de details willen nog wel eens verschillen.

‘Geld is wel belangrijk’

Svendsen en Yang benadrukken beiden dat ze dankbaar zijn voor het werk dat ze hier mogen doen, maar ze geven toe dat het aanvankelijke salarisverschil met de andere onderzoekers toch wel opviel. ‘Niet dat het nou echt afleidt, maar het is wel een dingetje’, zegt Svendsen. ‘We zijn toch niet helemaal 100 procent tevreden.’ Yang is het daarmee eens: ‘Geld is toch wel belangrijk, zolang je er maar van kan leven.’

Bovenop zijn beurs van de China Scholarship-raad krijgt Yang via het experiment 500 euro per maand van de RUG. Svendsen zegt dat hij, Yang, en de andere studenten bij het UMCG nu op gelijke financiële voet staan met andere promovendi. Ze krijgen geen pensioen en geen vakantiegeld, maar ze krijgen wel hetzelfde salaris, inclusief een jaarlijkse loonsverhoging.

De onderzoeksgroep van Svendsen en Yang bestaat uit hun leider, hoogleraar De Haan, een research associate, een postdoctoraal, zes promovendi en vier technici. Svendsen en Yang zijn blij dat ze de keuze hadden om met De Haan samen te werken. ‘Als promotiestudent kon ik zeggen dat ik in zijn lab wilde werken en mijn eigen beurs meenam. Dat is nou precies wat het zo aantrekkelijk maakt en daar ben ik dankbaar voor’, zegt Svendsen.

Voordat hij zich bij het programma aansloot, behaalde Yang zijn master aan de Shandonguniversiteit in China. Maar veel van de eerste lichting promotiestudenten bij het UMCG – waaronder Svendsen – zijn geworven bij de beste masteropleidingen aan de universiteit. Dat was niet alleen vanwege het tijdgebrek, maar ook omdat het schrijven van een promotievoorstel deel uitmaakt van dergelijke masteropleidingen.

Svendsen, die half Braziliaans, half Amerikaans is, zegt dat hij zijn financiële status eerst verwarrend vond, maar na een e-mailwisseling met de helpdesk van het experiment werd hem uiteindelijk duidelijk hoe het met zijn belastingen zat. Toch blijft hij het vreemd vinden dat hij geen werknemer is. ‘Het is gewoon niet duidelijk’, zegt hij. ‘Hier bij ERIBA staan we dus niet als werknemers te boek. Maar omdat we geld verdienen, moeten we belasting betalen. We zijn studenten die belasting betalen.’

In maart zei Lou de Leij, de decaan van de Groningen Graduate Schools die samen met Marjan Koopman verantwoordelijk was voor de opzet van de proef met promotiestudenten in Groningen, dat de ‘speciale status’ van de studenten bevestigd was door de Belastingdienst: de studenten worden gezien als nominale medewerkers.

Snel

Omdat het experiment snel geregeld moest worden – de tijd tussen het fiat van de minister (eind april 2016) en het startschot (september) bedroeg slechts vier maanden – is het niet verbazingwekkend dat het afgelopen herfst niet van een leien dakje liep bij ERIBA.

Waarom moest het allemaal zo snel? Volgens De Leij is dat eenvoudig te verklaren: de plek waar de promotiestudenten komen te werken nadat ze promoveren, wordt geëvalueerd als onderdeel van het experiment. Omdat het experiment officieel in 2021 eindigt, móest het wel in de herfst van 2016 beginnen: zo hebben de studenten genoeg tijd om hun graad te halen én werk te vinden.

Dat verklaart het tempo waarmee de veranderingen werden doorgevoerd, maar dat neemt niet weg dat sommige belangrijke details niet helemaal goed geregeld waren. Bij ERIBA ondertekenden de studenten hun contracten pas nadat ze al enkele weken in de laboratoria bezig waren. Zelfs toegang tot het lab ging in het begin moeilijk: er is een pasje nodig voor de deuren in het gebouw, en op de pas van Svendsen stond nog dat hij een masterstudent was. ‘Omdat het even duurde voordat ze de contracten rond hadden, deden sommige dingen het niet. Maar nu werkt alles prima’, zegt Svendsen.

Meer

Het onderwijsministerie stelde tweeduizend promotieplekken beschikbaar voor alle Nederlandse universiteiten, maar omdat bijna niemand anders meedeed – de enige andere deelnemer is de Erasmus Universiteit in Rotterdam en die vroeg slechts vijftien plekken aan – willen de RUG en het academisch ziekenhuis graag meer studenten aannemen, mocht de minister een tweede inschrijvingsronde instellen.

Het UMCG organiseerde informatieavonden om het programma te bespreken en de faculteitsbesturen ontvingen een memo, waarin werd geschetst hoe de eerste paar maanden van de proef eruit zouden komen te zien. Toch was wetenschappelijk directeur Gerald de Haan van ERIBA – die van de zeehond uit Finding Dory – sceptisch. Hij had zich duidelijk uitgesproken tegen het experiment. En nog steeds is hij bezorgd dat aankomende promovendi voor andere Nederlandse universiteiten zullen kiezen als ze daar wél als werknemer aan de slag kunnen.

‘Als je een goede student bent, kunt kiezen tussen Groningen en Utrecht, en het onderzoek bij beide even interessant vindt, terwijl Utrecht je een betere deal biedt… Ik denk dat dat voor iedereen een makkelijke keuze is’, zegt hij.

Er zijn altijd verschillende soorten promovendi geweest

‘Door dit experiment zijn er eigenlijk twee soorten studenten in het lab. In de praktijk kan dat helemaal niet’, zegt De Haan. ‘Iedereen moet op dezelfde manier behandeld worden, zodat we van iedereen hetzelfde mogen verwachten. Het kan niet zijn dan mensen verschillend behandeld worden op het werk.’ Svendsen herkent dit: ‘Door dit systeem ontstaat er ongelijkheid tussen promovendi in het lab.’

De Leij is het daar niet mee eens. ‘Er zijn altijd verschillende soorten promovendi geweest: normale promovendi die meedoen aan een project, buitenlandse promovendi en bijvoorbeeld promovendi met een Chinese beurs. Wat mij betreft is het prima dat er op dezelfde manier met deze studenten wordt omgegaan.’

Motivatie

De traditionele promovendi die wel als werknemers worden gezien en zij aan zij met de promotiestudenten in het lab werken, noemen de studenten – bij wijze van grap – wel eens tweederangs burgers, maar het lijkt er niet op dat toekomstige onderzoekers afknappen op de experimentele status. ‘Bijna al onze plekken zijn al vol. Vooral veel internationale promovendi zijn geïnteresseerd’, zegt De Leij. ‘Er zijn zoveel meer geïnteresseerden dan het aantal plekken dat we hadden aangevraagd.’

Maar De Haan vraagt zich af of het niet hoofdzakelijk vanwege de lagere kosten van promotiestudenten is, dat de RUG nog meer plekken wil aanvragen. Momenteel ontvangen Nederlandse universiteiten een zogeheten ‘promotiebonus’ voor iedere promovendus die zijn graad haalt. Hoe meer mensen dat doen, hoe meer bonussen de universiteit krijgt. Maar volgens De Leij kan dat argument met een simpel rekensommetje worden weerlegd: een promotiestudent kost 28.588 euro per jaar, en de bonus bedraagt op dit moment 72.000 euro. Als de onderzoeker drie jaar blijft, komen de kosten neer op minsten 85.764 euro, wat betekent dat de promotiestudenten de universiteit meer geld kosten dan ze opbrengen.

Carrièremogelijkheden

De Haan heeft ook zijn twijfels bij de vooronderstelling van de onderwijsminister dat Nederland meer mensen met een doctorstitel nodig heeft. ‘We doen nu dit experiment, maar tegelijkertijd zeggen dat we te veel promovendi opleiden, dat er binnen de academische wereld niet genoeg werk voor ze is en dat we ze andere mogelijkheden moeten bieden. Dus we willen er meer, terwijl we er al te veel hebben. En we moeten ze de kans bieden een andere carrière te kiezen. Daar klopt iets niet.’

De kans dat promovendi die hun graad halen niet in het universitair onderwijs aan de slag gaan, is 80 procent. De Leij ziet dat als een goed iets, maar juist daarom vindt hij het een belangrijke verantwoordelijkheid om de studenten goede cursussen te bieden over hun carrièremogelijkheden. ‘Hoe je het ook wendt of keert, de particuliere sector heeft ook behoefte aan hoogopgeleide mensen. Het zou fantastisch zijn om meer gepromoveerden in de overheid te zien – ik zou het persoonlijk prachtig vinden als er doctors in de Eerste en Tweede Kamer zitten’, zegt hij lachend.

Hij is ontzettend trots op het programma, vooral omdat het allemaal zo snel moest. Hij gelooft er zo heilig in dat hij zich niet voor lijkt te kunnen stellen dat het mogelijk slechts om een tijdelijk experiment gaat. Voor De Leij biedt deze constructie meer aankomende promovendi de kans om een graad te behalen met onderzoek dat ze zelf gekozen hebben, terwijl ze ook onderwijs krijgen dat hen kan helpen in hun carrière. De Leij snapt daarom niet goed waarom iemand aan het experiment zou twijfelen. ‘Het is een heel belangrijk programma voor deze universiteit en we hebben er echt onze nek voor uitgestoken’, zegt hij. ‘Heel veel mensen hebben heel hard gewerkt om ons zo ver te krijgen.’

‘Alles moet nog uitkristalliseren’, zegt De Leij. ‘Je weet niet of het zaadje dat je hebt geplant van de ene op de andere dag gaat groeien en je kunt niet verwachten dat alles direct klaar is. Het heeft tijd nodig om te groeien.’

English