Wetenschap

3D-bios in de kerk

Alsof je van de straat de Bijbel in wandelt. Zó echt zagen de speciale carnavalsdecors eruit die vanaf de zeventiende eeuw in katholieke kerken stonden. RUG-kunsthistorica Hiske Lulofs promoveerde op de decors. ‘Mensen voelden eraan, om te zien of het écht alleen verf en hout was.’
Door Thereza Langeler

Carnaval was het grootste, wildste feest van het zeventiende-eeuwse Rome. Om het volk af te leiden van het feestgedruis, riep de religieuze orde van de jezuïeten het veertigurengebed in het leven.

Speciaal voor dit drie dagen durende gebed werden prachtige decors ontworpen, die de gelovigen naar de kerk moesten lokken.

Kunsthistorica Hiske Lulofs onderzocht decors in Rome, Wenen en Zuid-Duitsland.

Uit getekende en geschreven bronnen leidde ze af dat de decors echte spektakelstukken moeten zijn geweest.

In Wenen werden de decors op een ander moment ingezet: de week voor Pasen, in plaats van het carnaval.

Leestijd: 7 minuten (1255 woorden)

Het moet een feest van fabelachtige proporties zijn geweest, carnaval in het zeventiende-eeuwse Rome. Het duurde dagen en alles – álles – mocht. Zuipen, gemaskerd door de straten dansen, knokken, en iedereen deed mee.

Behalve, begrijpelijkerwijs, de geestelijken. Die keken met afschuw toe hoe het volk zich overgaf aan alles wat God had verboden. Tot de religieuze orde van de jezuïeten er iets op bedacht. Tijdens de laatste drie dagen van carnaval stelden de jezuïeten hun kerk open, veertig uren achtereen. Wie zit te bidden, heeft geen tijd om zich te buiten te gaan, was het idee.

Dat de Romeinen niet zomaar het mooiste feestje van het jaar zouden verruilen voor kerkbanken, dat snapten de paters zelf ook wel. Daarom speelden ze tijdens het jaarlijkse veertigurengebed een bijzondere troefkaart: ze versierden hun kerk met ingewikkelde, spectaculaire en peperdure decors. Die moesten de mensen naar binnen lokken. Kennelijk werkte dat, want het veertigurengebed – inclusief prachtige decors – groeide uit tot een eeuwenlange traditie.

Opluisteren

In Italië, maar ook in Wenen en Tirol, werden tot in de negentiende eeuw tijdelijke decors gebouwd om diensten op te luisteren. RUG-onderzoeker Hiske Lulofs promoveerde onlangs op deze decors. Haar onderzoek is het eerste ter wereld dat de praktijken in Italië, Oostenrijk en Duitsland met elkaar vergelijkt.

‘Dat vond ik zo idioot, dat nog niemand dat gedaan had’, herinnert Lulofs zich. Kunsthistorici veegden de decors lange tijd min of meer op één grote hoop. Lulofs besloot dat het hoog tijd was om daar wat aan te doen. ‘Ik was eigenlijk naar twee dingen nieuwsgierig. Hoe verhouden de Weense decors zich tot de Romeinse? En hoe hebben die dingen er nou uitgezien, destijds?’

Als iemand de aangewezen persoon is om dat uit te zoeken, dan is het Hiske Lulofs wel. In klas vier van het gymnasium maakte ze eens een opstel over theaterdecors in de Oudheid, en sindsdien is ze gefascineerd door efemere kunst: werken die er eventjes zijn, en dan voorgoed verdwijnen. Want dat was het lot van de meeste kerkdecors, de Romeinse in elk geval.

Peperduur

De kunststukjes waarmee de paters jezuïeten hun kerk versierden, waren arbeidsintensief en peperduur – en slechts bedoeld voor drie dagen. Daarna werden ze afgebroken en nooit meer gebruikt. Nou ja, bijna nooit meer. ‘Ik ben een verslag tegengekomen van kardinaal Pietro Ottoboni over het paasfeest van 1700, waarin staat dat hij tijdens de Goede Week óók een decor in de kerk had staan’, vertelt Lulofs. ‘Heel ongebruikelijk en hij vertelt het ook op een haast verontschuldigende toon. Hoe hij het ontwerp had laten aanpassen, zodat het ingetogen genoeg was voor het lijden van Christus.’

Lulofs:  ‘Als ik iemand uit die tijd zou mogen ontmoeten, zou ik Ottoboni kiezen. Hij moet een echte decorliefhebber zijn geweest.’ Net als zijzelf, bedoelt Lulofs. Ze spreekt zachtjes; ze mist een stemband. Maar dat belet haar niet om honderduit te vertellen over coulissen en schilderingen, pausen, perspectief en kunstenaars. Intussen bladert ze ijverig door een bundel afbeeldingen. Bouwplannen en ontwerpen, tientallen, waarmee ze heeft getracht te reconstrueren hoe het gemiddelde decor eruitzag (zie kader).

Katholieke begrippen

Veertigurengebed: Een soort marathonkerkdienst, waarbij de hostie in een monstrans veertig uur aaneen aanbeden wordt.
Goede Week: (ook wel Stille Week of Heilige Week): Week vóór Pasen. Op Witte Donderdag wordt het Laatste Avondmaal herdacht, op Goede Vrijdag de dood van Jezus, op Stille Zaterdag het waken bij zijn graf, en op Eerste Paasdag zijn opstanding uit de dood.
Hostie: Een hostie is een plat, rond stukje brood, dat gelovigen tijdens een katholieke mis te eten krijgen.
Monstrans: Houder waarin de geheiligde hostie wordt getoond aan de mensen in de kerk.
Heilig Graf: Het graf waarin Jezus gelegd werd na zijn kruisiging
Oratorium: Religieus muziekstuk voor koor, solisten en instrumentale begeleiding.

Spektakel

Niet dat de ontwerpen recht doen aan het spektakel dat zo’n decor moet zijn geweest. De jezuïeten huurden er elk jaar complete teams van ambachtslieden voor in, met één kunstenaar als hoofdaannemer. ‘Daar zaten grote namen tussen’, zegt Lulofs. ‘Bernini, bijvoorbeeld, en Cortona.’

Ieder jaar had het decor een ander Bijbelverhaal als thema en dat moet een belangrijke lokfactor zijn geweest, denkt Lulofs. ‘Waar komen ze dit jaar weer mee op de proppen? Dat wilden de mensen graag weten.’

Bovendien: dat bijbelverhaal werd zo uitgebeeld dat het zich écht voor je neus leek af te spelen. Een 3D-bioscoop in de kerk, zeg maar. ‘Het moet gevoeld hebben alsof je zo van de straat de Bijbel binnen wandelde’, weet Lulofs uit de verslagen die van de gebedsdiensten werden gemaakt. ‘Het verhaal gaat dat de mensen voelden aan de stellages, om zich ervan te verzekeren dat het allemaal inderdaad alleen hout en verf was.’

’Van de Romeinse decors zijn alleen afbeeldingen bewaard gebleven, maar sommige van de decors in Oostenrijk en Zuid-Duitsland zijn nog intact. ‘Ze vertonen duidelijk overeenkomsten met de Romeinse decors: pilaren aan de zijkant, een Bijbelse voorstelling en daarboven een hemelse glorie met de monstrans en de hostie.’

Overwaaien

Niet zo vreemd, die gelijkenis: Lulofs kwam erachter dat de praktijk van het decorbouwen van Rome overwaaide naar Wenen, en vandaar weer naar Duitsland. Dat is vooral te danken aan Andrea Pozzo, een kunstenaar en jezuïet uit Rome, die de laatste jaren van zijn leven in Wenen woonde en werkte.

Maar ze ontdekte ook een belangrijk verschil. ‘De jezuïeten hebben in Wenen wel geprobeerd om het veertigurengebed tijdens carnaval in te voeren, maar dat sloeg niet aan.’ Zelfs een lightversie van slechts tien uur kon de Weense gelovigen niet bekoren.

De jezuïeten (‘slimme, pragmatische mannen’, volgens Lulofs) kregen al snel in de gaten wat het probleem was. Het Romeinse volk vierde zijn grootste feest tijdens carnaval, maar de Weners deden dat veel later, in de Goede Week. ‘Dus in Wenen is het veertigurengebed ingepast in de vieringen rond Pasen’, zegt Lulofs.

Heilig Graf

‘Daarvoor werden decors gebouwd die een zelfde vorm hadden, maar een andere functie. Weense decors stellen altijd het Heilig Graf voor. Bovendien werd in de Weense decors daadwerkelijk opgetreden: ze vormden de achtergrond voor oratoriumopvoeringen.’

Dat ze dat in Rome maar niks vonden, blijkt uit het misprijzende commentaar dat paus Pius VI gaf, toen hij Weense decors bekeek in de Goede Week van 1782. ‘Romae non sic,’ zei hij zuinigjes: in Rome gaat dat zo niet.

Daar vonden ze dat de Paasweek ingetogen en sober moest zijn, want het ging per slot wel over dood en lijden. Lulofs vernoemde haar proefschrift naar Pius’ commentaar. ‘Want in zekere zin heb ik mijn proefschrift aan hem te danken’, lacht ze. ‘Ik had geen enkele reden gehad om te denken dat de decors in Rome en Wenen verschilden als hij het niet had gezegd.’

Achtergrondbeeld: Johann Pfunner, Heilig Grafdecor in de kerk te Ettenheim, 1778.

English