Live

Je kunt alleen goed college geven, als je het gevoel hebt er als docent toe te doen. Dat laatste houd ik mezelf dan ook maar voor, al lijkt de opinie dat college geven een achterhaalde bezigheid is terrein te winnen.
Door Gerrit Breeuwsma

Vooral het hoorcollege moet het vaak ontgelden: het is te passief, te eenzijdig, te statisch. Dus komen onderwijsvernieuwers met ideeën als flipping the classroom (rector magnificus Elmer Sterken heeft zich daar al eens nadrukkelijk voorstander van getoond). De klassikale kennisoverdracht maakt daarin plaats voor online-instructie thuis, zodat er tijdens het college ruimte is voor verdieping van de stof.

Waarschijnlijk was ik mijn tijd dus ver vooruit toen ik, lang geleden bij mijn allereerste college, tegen mijn studenten zei dat ik er vanuit ging dat zij de stof thuis lazen en dat ik het college zou gebruiken voor extra informatie en discussie rond het boek.

Er gingen een paar vingers omhoog: of dat tentamenstof was. Nee, zei ik met de naïeve arrogantie van de beginner, het was verdiepingsstof. Onmiddellijk pakten enkele studenten hun tas in en verlieten pontificaal de zaal, mij in ontreddering achterlatend.

Sindsdien laat ik er geen twijfel over bestaan dat alles wat tijdens het college ter sprake komt, tentamenstof kan zijn. Sommige studenten vinden dat onredelijk. ‘Meneer, het college is niet verplicht. Dus hoe kunt u de collegestof dan opgeven?’ vragen ze stellig.

Ik beaam hun constatering, maar voeg er aan toe dat het lezen van het boek evenmin verplicht is. Goed beschouwd is de hele studie niet verplicht. Maar als je kiest voor psychologie, is het raadzaam boek en collegestof tot je te nemen. Het verhoogt de kans op een goed cijfer en je wordt er een betere psycholoog van.

De laatste jaren wordt er steevast gevraagd of het college ook wordt opgenomen, wat ik ontkennend beantwoord. Ik ben niet principieel tegen onlineonderwijs, maar het integraal opnemen van colleges is niet alleen zinloos (het college is er immers al), het is ook didactisch verkeerd. Het biedt studenten alleen maar een extra mogelijkheid om zich aan de studie te onttrekken.

Ik was dan ook blij met de conclusie van een recent onderzoek, waaruit bleek dat de ‘live’-docent voor hogere cijfers zorgt dan zijn onlinecollega. In het onderzoek volgde de helft van de deelnemers een reeks echte colleges, met ruimte voor discussie. De andere helft kreeg een onlineversie van de colleges, waarbij er via de computer kon worden gechat met de docent.

Zowel na ieder college als aan het eind van de reeks werd de kennis getoetst en bleek dat de studenten die de colleges hadden gevolgd 82 procent van de vragen goed hadden beantwoord tegen 74 procent van de studenten die de onlineversie hadden gevolgd. Een-nul voor de live-docent dus.

Uit een eerder onderzoek bleek bovendien dat de uitval onder studenten die colleges face to face volgden lager was dan onder studenten die voor de onlineversie kozen (terwijl die gemotiveerder waren). Twee-nul voor de live-docent.

Onlineonderwijs kan voordelen bieden: het is kosteneffectief (geen grote collegezalen meer nodig), vergroot het bereik (niet tijd- en plaatsgebonden), is geschikt om het onderwijs te ‘vermarkten’ en het dient het gemak.

Maar het haalt ook het hart uit het onderwijs: de live-docent, die soms saai is of te langdradig, die onverstaanbaar spreekt of juist te luid, die ronduit eigenaardig is, maar die ook inspireert, die aan het denken zet, die enthousiast vertelt, verrassend grappig kan zijn of juist erg geleerd is, en dat allemaal voor jou.

Een docent die je je dertig jaar later nog levendig herinnert. Kom daar maar eens om bij onlineonderwijs.

13 November 2018 | 13-11-2018, 9:22