Lintjesregen

Columnist Gerrit Breeuwsma heeft niet veel met Koningsdag en bijbehorende lintjesregen. Gelukkig wordt hij, op zijn eigen manier, steeds milder.
Door Gerrit Breeuwsma

Een van de voordelen van ouder worden is wel dat je in de loop der jaren genuanceerder wordt in je oordelen, minder hangt aan je meningen en opinies, meer begrip kunt opbrengen voor die van anderen en dus door bank genomen een aardiger mens wordt (als mensen me niettemin een arrogante, eigenwijze kwast vinden, troost ik ze meestal door te zeggen dat ik vroeger nog erger was).

Nee, hoe je het ook wendt of keert, ik ben een stuk milder geworden en dat is natuurlijk goed.

Dat je dat nu ook weer niet moet overdrijven, merkte ik jongstleden zaterdag, toen ik, net terug van een korte vakantie en weer helemaal uitgerust en ontspannen, met de neus in Koningsdag viel. Na vijf minuten voelde ik mijn hartslag versnellen, de ergernis toenemen en de nuance op de vlucht slaan.

Er was dan ook weer flink uitgepakt: met angstaanjagend blije Cliniclowns, een bak vol krioelende wormen, onnozele spelletjes en depressief makende vrolijkheid.

Het is om woest van te worden, maar gek genoeg was het vooral de plaatsvervangende schaamte waar ik last van kreeg: om de raar uitgedoste onderdanen, de buigende stadsbestuurders (Amersfoort Lakeistad) en de geforceerde spontaniteit en gewoonheid van de koninklijke familie, met de koning, koningin en de prinsesjes (A3) in de frontlinie.

En dan die doorzichtige manier waarop prinses Amalia als troonopvolgster werd voorgekookt, waarbij elke woord op een goudschaaltje gewogen en goed bevonden werd. Nee, dan het Vlaamse prinsessentrio (K3), dat ooit zo pakkend zong: Als ik prinses was/Weet je wat ik stante pede onmiddellijk deed/Ik brak die troon af/En bouwde ’t paleis om in één grote discotheek.

Nou meid, als ik moet helpen afbreken, bel je me maar. Vooralsnog vind ik die hele troonopvolging meer iets voor de kinderombudsvrouw.

Nee, echt koningsgezind ben ik niet. Als de lintjesregen losbarst, zeg ik voor de zekerheid dat ik een koninklijke onderscheiding beslist zou weigeren. Niet dat ik een kans maak voorgedragen te worden, maar toch.

Ik zou een lintje weigeren. Niet dat ik een kans maak, maar toch

Eén keer was ik trouwens gevaarlijk dichtbij toen het, al weer meer dan tien jaar geleden, de koningin behaagde mijn moeder te onderscheiden. Die mocht daar niets van weten, zodat de voorbereidingen in het geheim moesten plaatsvinden. Ik werd toen nog vrij lang buiten het complot gehouden, maar op een gegeven moment moest ik dan toch worden ingelicht.

Mijn grootste bijdrage aan de dag bestond uit een leugen. Dat wil zeggen, er moest een reden bedacht worden waarom mijn ouders op een vrijdagochtend naar het stadhuis zouden gaan. Niemand die iets geloofwaardigs kon bedenken, dus of ik niet iets wist. Ik zei: Zeg maar dat wij gaan trouwen.

Mijn moeder was zeer verbaasd; daar had ze niet meer op gerekend, maar ze geloofde het wel. Mijn vader moest vervolgens alle zeilen bijzetten om haar een beetje toonbaar mee te krijgen naar het stadhuis, want ze had zich in het hoofd gezet dat ik alles het liefst zo casual mogelijk had (achteraf had ze het merkwaardig gevonden dat mijn vader tot drie keer toe haar kledingkeuze had afgekeurd).

Toen zij de stadhuiszaal binnenkwam, zaten wij daar met de hele familie op haar te wachten. Toen ze de burgemeester zag, begreep ze wat er aan de hand was. Ze trok bleek weg. Het liefst had ze geweigerd, maar ze vond dat ze ons dat niet aan kon doen. In het voorbijgaan fluisterde ze me ‘rotjongen’ toe.

Na de plechtigheid vroeg de burgemeester schertsend of hij ons nu dan toch niet even zou trouwen. Eindelijk mocht ik een ferm ‘nee’ laten horen.

Tegenwoordig zou ik daar ‘ja’ op hebben geantwoord, maar ik ben dan ook veel milder geworden.

30 April 2019 | 30-4-2019, 13:49

Meest gelezen