Lesgeven

Columnist Gerrit Breeuwsma is als docent nooit voorstander geweest van videocolleges. En nu wil hij helemaal niet meer, met een politieke partij die studenten aanmoedigt docenten te filmen en aan te melden als hen iets niet aanstaat.
Door Gerrit Breeuwsma

‘Wie leraar wil zijn, dient te aanvaarden dat hij ook een objectief ding moet zijn, een Leraar in de blik van anderen,’ schreef Benjamin Kouwer ooit in zijn onder psychologen beroemde boek Het spel der persoonlijkheid. Aanleiding voor deze bespiegeling was een jonge docent die zei dat het hem thuis altijd prima lukte om ‘les te geven’, maar dat hij zodra hij voor de klas stond, geen woord meer wist uit te brengen. Dan was hij zichzelf niet meer.

Het is misschien wel een van de moeilijkste dingen van lesgeven: je overgeven aan je rol als Leraar, in plaats van ‘jezelf’ te willen zijn. Je bulkt van de kennis: goed voorbereid en het materiaal op orde. Maar dan sta je voor een volle zaal, moet je de aandacht van je publiek winnen, hoor je je eigen aarzelende stem over de speakers, begin je te hakkelen en lijkt je kennis ineens heel ver weg.

Als beginnend docent probeerde ik destijds mijn ongemakkelijkheid te maskeren door heel veel en snel te praten. In lange zinnen, waarin mijn belezenheid  voortdurend de kop opstak, plamuurde ik de tijd dicht, zodat mijn toehoorders na twee uur murw waren en ik uitgeput in de touwen hing.

Lesgeven vind ik nog steeds niet eenvoudig, maar ik leerde in de loop der jaren wel dat het gemakkelijker wordt door minder haast te hebben, niet om stilte te smeken als de zaal rumoerig is, maar gewoon zelf met praten op te houden. Ook leerde ik dat het laten zien van je eigen onwetendheid soms beter werkt dan het etaleren van je geleerdheid.

Toch blijft het docentschap een kwetsbare aangelegenheid. Zo zat ik jaren geleden vol overtuiging in een betoog toen er onverwacht een nieuwe collega de collegezaal binnensloop. Hij deed zichtbaar moeite zo onopvallend mogelijk aanwezig te zijn, maar ik zag alleen hem nog maar. Bovendien hoorde ik alles door zijn oren en alles wat ik zei kwam me ineens triviaal voor.

Op routine wist ik de pauze te halen, waarin hij me zei dat hij in de verkeerde zaal zat, maar me niet een tweede keer had willen storen. Nu ging hij echter op zoek naar de goede zaal. ‘Leuk college trouwens,’ riep hij me na, maar ik geloofde er geen barst van.

Ik ben in principe tegen videocolleges, om allerlei didactische redenen die ik nu even buiten beschouwing laat, maar ook omdat het je als docent kwetsbaar maakt. Als universiteit worden wij geacht zorgvuldig met de privacy van studenten om te gaan, maar waarom zou ik dan uren beeldmateriaal moeten vrijgeven, waar ik geen enkele controle meer over heb? Er zijn toch grenzen aan de blik van anderen?

Geheel tegen mijn principes (ik ben zo inconsequent als de pest, anders heb je geen leven), gaf ik dit jaar toestemming de opnames te gebruiken voor studenten die fysiek niet bij een eerstejaarscollege aanwezig konden zijn. Ik dacht er verder niet meer over na totdat ik me midden in een college ineens bewust werd van de camera die in de collegezaal hangt en meedraaide terwijl ik me over het podium bewoog. Hoe ik mijn pas ook versnelde, ik kon de camera niet ontlopen. Ik kreeg het er benauwd van en er bekroop me een gevoel van paranoia.

Gelukkig is er nu een frisse nieuwe partij in de Kamer die me met haar ideeën weer even op scherp zet. Een partij die studenten aanmoedigt docenten te filmen en aan te melden, mochten ze iets zeggen dat hen niet aanstaat. Je kunt niet achterdochtig genoeg zijn.

Volgend jaar weiger ik weer consequent het vrijgeven van de videocolleges.

Thierry, bedankt!

03 April 2019 | 3-4-2019, 14:58