Kutwielrenner

Foto Reyer Boxem

Kutwielrenner

Student-columnist Bauke van der Kooij heeft niks met wielrenners, maar moet wat coronakilo’s kwijt. Dus stapt hij toch maar op de fiets. Als dat maar goed gaat.
Door Bauke van der Kooij
20 oktober om 9:49 uur.
Laatst gewijzigd op 22 november 2020
om 16:22 uur.
oktober 20 at 9:49 AM.
Last modified on november 22, 2020
at 16:22 PM.

Ik heb het niet zo op wielrenners. Gelukkig denkt 90 procent van alle mensen er net zo over, al bestaat de overige 10 procent helaas uit de wielrenners zelf, die als een soort obesitasversie van Joop Zoetemelk in strakke clownspakken al schreeuwend langs je stormen.

Hoewel ik nooit van mijn leven zo’n kutwielrenner zou willen zijn, is wielrennen wel een goede manier om wat overtollige coronakilo’s kwijt te raken.

Dus besluit ik niet alleen een stukje te fietsen, maar tegelijk ook een poging te wagen om de wielrenners in het positieve daglicht te stellen. Ik pak de wielrenfiets van mijn vader (die wonder boven wonder uitgerust is met bel), waar ik in normale sportkleding op ga zitten, dus zonder handschoentjes, zonnebril, wielerpak en klikschoentjes.

Wielrennen is wel een goede manier om wat overtollige coronakilo’s kwijt te raken

Onderweg begroet ik alle mensen, houd ik mij aan de regels en bel ik netjes als ik iemand inhaal. Op een lang recht stuk met tegenwind kan ik mij verschuilen achter de kolossale rug van een corpulente zestiger, wanneer ik besluit er letterlijk en figuurlijk een tandje bij te steken.

Ik zit er lekker in: de witte strepen op het fietspad schieten voorbij, ik haal voor het eerst in mijn leven een bejaarde op een elektrische fiets in en stuur behendig langs alle suïcidale naaktslakken die menen dat het gras toch echt groener is aan de andere kant van het fietspad.

Ik besluit even op het fietscomputertje te kijken hoe hard ik ga. Als ik weer opkijk, zie ik vlak voor me een stel met een hond. Bij gebrek aan klikschoentjes schiet mijn voet van het pedaal, maak ik een rare zwiep naar links waar een tegemoetkomende fietser nog net kan uitwijken.

Achter mij hoor ik de fietser mij nog wat woorden naroepen. Misschien is het dan toch ook mijn lot, het zijn van zo’n kutwielrenner.