Knuffelenergie

Knuffelenergie

Student-columnist Bente van Leeuwen heeft veel knuffelenergie. Maar wat kun je ermee in het coronatijdperk?
Door Bente van Leeuwen / Foto Reyer Boxem
1 september om 11:03 uur.
Laatst gewijzigd op 2 september 2020
om 15:09 uur.
september 1 at 11:03 AM.
Last modified on september 2, 2020
at 15:09 PM.

Mijn vriend vroeg laatst: ‘Wat deed jij eigenlijk met al die knuffelenergie voordat je mij had?’ Drie gedachtes. Ten eerste: leuk woord ‘knuffelenergie’. Ten tweede: knuffel ik ‘m te veel, is dat wat hij eigenlijk wil zeggen? Ten derde: heel goeie vraag.

Ik bezit inderdaad een boel knuffelenergie. Als een hond die altijd geaaid wil worden. Op mijn vierde hield ik een jaar lang vol dat ik eigenlijk een hond was. Eten uit een bak (paar dagen), slapen in een mand (één nachtje maar, want het lag voor geen meter) en zwemmen op z’n hondjes (niet altijd, maar vooral wanneer m’n ouders zich zorgen maakten of ik nog wel normaal kon zwemmen).

Tot ik stopte. Op een gegeven moment accepteer je dat je een mens bent. Maar misschien ben ik er toch nooit helemaal los van gekomen. Aai me, verzorg me, heb me lief.

Een deel van die knuffelenergie is dan ook altijd naar honden, of dieren in het algemeen, gegaan. Niet elk dier houdt van knuffelen, maar veel wel. Die krijgen er net als ik nooit genoeg van. Gelukkig hebben mijn ouders altijd veel dieren gehad.

Er kan van alles wel op 1,5 meter afstand, maar knuffelen niet

Daarnaast knuffel ik graag met mijn familie en vrienden. Minder uitgebreid dan je met een hond doet, maar toch vind ik het belangrijk. Het is een manier van contact leggen. Je laat elkaar even toe. Zwaaien of ‘hoi’ zeggen is afstandelijker.

Dat ik nu niet mag knuffelen, valt me dan ook zwaar. Er kan van alles wel op 1,5 meter afstand, maar knuffelen niet. Misschien krijgt mijn vriend daarom nu een dubbele portie en lag dat ten grondslag aan zijn vraag. Of misschien maak ik sowieso bij hem een inhaalslag, na een jarenlang opgelopen tekort wegens het gebrek aan een dier of familielid op mijn studentenkamer.

Gelukkig voor hem zijn de tijden van dubbele porties nu waarschijnlijk voorbij: ik heb een nieuw subject voor mijn knuffelenergie gevonden. Ze is verdrietig als ik haar even alleen laat, want ze moest het vijf jaar lang zonder liefde doen en wil dat geen seconde langer.

Ze ligt het liefst de hele dag strak tegen me aan, holletje-bolletje met een dekentje erover. Een bundeltje aan knuffels. Ze kwispelt als ik na het koken weer naast haar ga zitten. Soms gromt ze als er iemand in onze buurt komt, dat moeten we haar nog afleren. Maar ik snap haar, want ik ben een jaar als zij geweest. Dus ik aai op d’r buikje, ik verzorg haar en heb haar lief.