Jargon

Foto Reyer Boxem

Jargon

Tijdens persconferenties wordt wel duidelijk dat premier Rutte niets heeft met sociale wetenschappen, constateert columnist Gerrit Breeuwsma. ‘Leuk voor studenten die ondanks alle coronamaatregelen enthousiast aan de studie sociologie zijn begonnen.’
Door Gerrit Breeuwsma
2 februari om 10:39 uur.
Laatst gewijzigd op 2 februari 2021
om 11:41 uur.
februari 2 at 10:39 AM.
Last modified on februari 2, 2021
at 11:41 AM.

Als een ding de afgelopen week duidelijk is geworden, dan is het wel dat we nu tenminste ondubbelzinnig weten hoe premier Rutte over sociologen denkt. Dit dankzij zijn opmerking dat hij geen behoefte heeft aan ‘sociologische verklaringen’ voor de rellen in reactie op de avondklok. Ze waren volgens hem een uiting van crimineel gedrag waartegen streng moest worden opgetreden.

Dat klonk kordaat. Bij een uitslaande brand gaat de brandweer ook niet uren delibereren over de oorzaak, maar slaat onmiddellijk aan het blussen. Toch geloof ik niet dat de premier in overleg met de artsen van het OMT geïrriteerd uitroept: ‘Kom me niet aanzetten met medische verklaringen. Het is gewoon een vreselijk virus.’

Ik vrees dat medische verklaringen net iets meer status hebben dan sociologische.

Wie goed had opgelet, hoorde trouwens niets nieuws, want eerder dit jaar had Rutte op een vraag over ‘institutioneel racisme’ zich al eens laten ontvallen dat hij ‘sociologisch jargon’ haat.

Toe maar. Leuk voor al die beleidsambtenaren op de ministeries, waar heel wat sociologen rondlopen. En wat te denken van de studenten die dit jaar, ondanks alle coronamaatregelen, enthousiast aan de studie sociologie zijn begonnen?

Ergens trok ik me het persoonlijk ook wel een beetje aan, al was het maar omdat ik vermoed dat Ruttes afkeer meer in het algemeen de sociale wetenschappen betreft. Sinds het begin van de coronacrisis werd snel duidelijk dat je als socioloog, psycholoog of pedagoog niet een vitaal beroep hebt.

Zoiets zet je dan wel even op je plek, maar er zijn grenzen aan wat een eenvoudig wetenschapper kan verdragen. Rutte zal vast niet ontkennen dat sociale wetenschappers ook onderzoek doen, maar uit zijn antwoord op een vraag tijdens de persconferentie van 29 januari maak ik op dat hij er geen cent voor geeft.

De algoritmes waarmee de belastingdienst fraudeurs opspoort, zijn gebaseerd op sociologische data

Tijdens die persconferentie vroeg een journalist nog even door over de kwestie van de achtergronden van de relschoppers, waarop Rutte antwoordde dat ze het daar in de ministerraad niet over hadden gehad.

Wel probeerde hij zijn opmerking over de sociologische verklaringen enigszins te nuanceren, om die poging vervolgens net zo gemakkelijk om zeep te helpen met een neerbuigende toelichting: ‘Ik vind het allemaal prachtig hoor, al die onderzoeken, moet je vooral doen, maar als ook maar iemand zou denken “zie je wel, het is mijn slechte jeugd geweest of het feit dat mijn ouders minder geld hadden, of dat ik opgroeide in een bepaalde wijk, of juist heel rijk en te weinig liefde heb gehad”. Weet ik veel wat de reden is… Je doet het gewoon niet. Het is zo fout, het is zo crimineel. Er is niets wat dat kan vergoelijken.’

Het kan hem dus niet schelen wat de reden is (je doet het gewoon niet). Maar het wrange is dat de algoritmes waarmee de belastingdienst en veel Nederlandse gemeentes potentiële fraudeurs opsporen, juist zijn gebaseerd op sociologische data over personen.

Misschien moeten we het zien in het licht van Ruttes afkeer van visie en zijn zelfbeeld als praktische aanpakker, van wie de handen soms jeuken, zoals hij zei naar aanleiding van de rellen en ongeregeldheden tijdens de nieuwjaarsnacht in 2019. Hij zou, zo bekende hij destijds openhartig, de ‘doorgesnoven en dronken’ relschoppers ‘het liefst allemaal persoonlijk in elkaar slaan’.

Nog even afgezien van het feit dat dat een heidens karwei is, past deze ferme taal niet bij serieuze gezagsdragers (vroeger hadden we prins Bernhard voor dit soort ontboezemingen). De ironie is dat de premier met dit ‘jargon van de straat’ naadloos aansluit bij de raddraaiers tegen wie hij zich keert.

Dat straatjargon – laat ik proberen beschaafd te blijven: daar houd ik niet zo van.