Internationaal

Minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven (say no more) is er uit: we moeten doorgaan met de internationalisering van het hoger onderwijs, maar tegelijkertijd moet er verscherpt toezicht komen op de afwegingen om Engels als voertaal te gebruiken.
Door Gerrit Breeuwsma

Iedereen met een klein beetje verstand begrijpt onmiddellijk dat dat nooit gaat werken.

De aanmoediging om door te gaan, is volstrekt overbodig. Want de internationalisering gaat razendsnel en lijkt langzamerhand de belangrijkste doelstelling van het hoger onderwijs. Ook de RUG pronkt op haar site graag met haar internationale veren: 120 nationaliteiten, het grote aantal Engelstalige bachelor- en masteropleidingen, de vele internationale medewerkers en noemt internationalisering een van ‘de belangrijkste aandachtspunten in het strategisch beleid’.

Je kunt dus net zo goed een vallende steen aanmoedigen door te gaan met vallen.

Het verscherpte toezicht kan niet veel meer zijn dan een wassen neus, zeker ook omdat de minister in de NRC meent dat het belangrijkste instrument om dat toezicht mogelijk te maken, namelijk de huidige Wet op het Hoger Onderwijs – die het gebruik van Engels behandelt als uitzondering op de regel dat het onderwijs in het Nederlands wordt gegeven – aan ‘modernisering’ toe is.

In een nieuwe wet wil ze de opleidingen verplichten een goede afweging te maken over de meerwaarde van internationalisering, in het belang van Nederlandse studenten. De medezeggenschap van studenten en medewerkers van de opleiding zou hier een belangrijke stem moeten hebben. U weet wel, de medezeggenschap, die vooral achter gesloten deuren tot wasdom komt.

De realiteit is natuurlijk al lang dat je in de praktijk steeds vaker moet verdedigen waarom je je onderwijs in het Nederlands wilt geven; dat juist het Nederlands een meerwaarde heeft voor Nederlandse studenten die nog steeds in meerderheid op de Nederlandse arbeidsmarkt terechtkomen.

Ondertussen is het Nederlands al goeddeels uit het lesmateriaal verdwenen, ten gunste van voornamelijk Amerikaanse tekstboeken. Want dat is de ironie: we trekken buitenlandse studenten door een opleiding aan te bieden die je werkelijk overal zou kunnen volgen. Het is alsof je de keuken van een ver buitenland aanprijst, maar je gasten vervolgens op hamburgers van McDonald’s trakteert. De Nederlandse keuken, pardon psychologie en de specifieke Nederlandse situatie krijgen amper aandacht.

Toen we de fraaie cursus Controverses in de psychologie nog in het Nederlands aanboden, kon ik een aardig college geven over de Buikhuisenaffaire en mijn studenten onder andere de columns van Piet Grijs voorschotelen. Toen de cursus in het Engelstalige programma moest worden opgenomen, sneuvelde de Nederlandse versie en moest ik een internationaal onderwerp kiezen.

Voor de cursus Geschiedenis van de psychologie gebruiken we een prima boek, maar de enige Nederlander die er in wordt genoemd is de fysioloog F. C. Donders (1818-1889). Daarna is het kennelijk gedaan met de Nederlandse psychologie. Zelfs Gerard Heymans, de naamgever van ons Heymansinstituut, weet het nog niet tot een voetnoot te schoppen.

Mogelijk dat de Nederlandse psychologie niet genoeg gewicht in de schaal legt om internationaal mee te tellen, maar zouden we onze buitenlandse studenten daar dan niet op moeten wijzen?

Volgens de minister in een vraaggesprekje in een nieuwsprogramma is internationalisering voor studenten een enorm rijke ervaring. Dat geloof ik best, maar met een reisbureau en een recente Lonely Planet moet je toch ook een heel eind komen?

Wij trekken wel veel buitenlandse studenten, maar onze Nederlandse studenten gaan nog niet in grote aantallen naar het buitenland. Sommigen zien dat als onwenselijk, maar volgens mij liggen hier juist grote mogelijkheden.

Nederlandse studenten hoeven helemaal niet meer weg. Jongens en meisjes: het buitenland komt naar u toe! Binnenkort in een collegezaal bij u in de buurt. Veel internationaler dan daar zal je het vrijwel nergens vinden.

12 June 2018