Hurken en ooghoogte

Kort geleden reageerde een gewaardeerd wetenschapper aan de RUG dat wij het verhaal over hem ‘op de hurken’ hadden geschreven. Hij vond dat de redactie er dingen had bijgehaald die er niet toe doen en, zo maakte ik op uit de reactie, dat we ook zijn bevindingen hadden gesimplificeerd.

Hij zei het niet met zoveel woorden, maar de boodschap was: jullie zijn kleuterig, de UK doet aan jip-en-janneketaal.

Ergens is die reactie wel begrijpelijk. We vatten gedegen onderzoek, waar maanden of niet zelden nog langer aan is gewerkt, samen in een luttele 800 woorden en dan willen we ook nog iets weten over de persoonlijke drijfveren. Waar komt de fascinatie van de wetenschapper vandaan? Wat beweegt hem?

En godbetert, denk je dat je alles hebt gehad, beschrijft de journalist vervolgens ook nog eens de werkplek. Of dat ertoe doet.

Diverse achterban

Ja, dat alles doet ertoe. Want de achterban van de wetenschapper is een heel andere dan die van de UK. De eerste is ingewijd en heeft weinig uitleg nodig om een en ander te doorgronden. Maar dat geldt niet voor de doelgroep van de UK. De wetenschap is divers, maar de mensen die de universiteit bevolken zijn zo mogelijk nog diverser.

De UK wil de fascinerende wereld van onderzoek aan de RUG op een begrijpelijke manier én voor een breed publiek voor het voetlicht brengen. Dat we dan simplificeren, is onvermijdelijk en helemaal niet erg. Sterker, dat moet. Dat noemen we dan maar – heel eigenwijs – journalistieke wetenschap.

Menselijke maat

Maar waarom schrijven we dan óók over de persoonlijke drijfveren van de wetenschapper? Over zijn fascinatie? En waarom brengen we zijn werkplek in beeld?

Journalisten en wetenschappers brengen informatie over, dat is een belangrijke overeenkomst. Maar de manier waarop, daar zit ‘m het grote verschil. Wetenschappers richten zich op waarnemingen, theorieën, experimenten, data en berekeningen, en schrijven lijvige onderzoeksrapporten. Journalisten echter zijn verhalenvertellers die de onderzoeker, en daarmee ook het onderzoek zelf, een gezicht geven. De menselijke maat maakt de wetenschapper en zijn vakgebied boeiender.

Denk met enige fantasie aan Proxima b, dat planeetje dat kort geleden werd ontdekt. Er zijn miljoenen planeten en heel veel ervan zijn puur wetenschappelijk gesproken een stuk interessanter dan deze klomp steen. Maar waarom spreekt Proxima b zo tot de verbeelding? Omdat die lijkt op de aarde, omdat er leven mogelijk zou kunnen zijn. Juist de menselijke maat brengt de wetenschap veel en veel dichterbij dan de 4,2 miljoen lichtjaren die de planeet en de aarde van elkaar scheiden.

Kortom, als we simplificeren en ‘onder de huid’ kruipen van de wetenschapper, gaan we niet ‘op de hurken’. We komen dan ‘op ooghoogte’ met onze lezer.

Rob Siebelink, hoofdredacteur a.i.

English

13 September 2016 | 14-9-2016, 16:20