Hoe metaforen ons bedriegen

Het boek van assistent-professor Han Thomas Adriaenssen won vorige week een belangrijke prijs. De Journal of the History of Philosophy (JHP) verkoos het boek Representation and Scepticism from Aquinas to Descartes (Verbeelding en scepsis van Aquino tot Descartes) tot boek van het jaar 2018.
Door Megan Embry

De prijs – onder meer een bedrag van vijfduizend euro – is nogal een ding. De JHP is wereldwijd het meest prestigieuze blad voor de geschiedenis van filosofie en is de standaard voor excellentie. ‘Op maandag kreeg ik een felicitatie van een collega. Ik dacht: waarvoor dan? Misschien moet ik mijn mail even checken,’ lacht Han Thomas. ‘Dat was absoluut een leuke verrassing.’

Han Thomas werd drie keer op rij tot beste filosofieleraar van het jaar verkozen; hij is geliefd op de afdeling. Daar wil hij zelf niet over opscheppen, maar anderen willen dat wel voor hem doen.

Decaan Lodi Nauta (die zelf de JHP-boekprijs won in 2010) zegt: ‘Hij is extreem getalenteerd. Hij spreekt bijna vloeiend Italiaans, Duits en Engels. Hij is een erg bescheiden en aardig mens. Heel vriendelijk en hij zou nooit iets slechts over een ander zeggen. Hij won zo vaak die prijs voor leraar van het jaar op onze faculteit, dat we de procedure moesten aanpassen zodat ook anderen de kans kregen de prijs te winnen. Nu kan de winnaar van het ene jaar niet meer genomineerd worden voor het jaar erna. Ik plaats hem bij de allerbeste filosofiegeschiedkundigen en bij de beste leraren.’

Een snelle rondgang onder willekeurige studenten in de foyer oogst vergelijkbare lofuitingen: ‘Hij kan alles interessant maken!’ zegt een student. ‘Hij heeft zo’n positieve uitstraling, hij maakt filosofie leuk. Wist je dat Avicenna boeiend kon zijn?’

Vijf vragen voor Han Thomas

Zelfs de titel van het boek voelt een beetje zwaar. Hoe zou u het project van dit boek uitleggen aan iemand die geen filosofie-achtergrond heeft?

‘Ik zou waarschijnlijk beginnen met Descartes – dat is iemand die we allemaal wel kennen. In 1641 zei Descartes: ‘Laten we alles wat we denken te weten aan de kant schuiven; dat is niks. Laten we opnieuw beginnen.’ Zo munt hij de frase ‘Ik denk, dus ik ben,’ en wordt daarmee de grote vernieuwer.

En het spreekt aan; hij is een onstuitbare schrijver. Maar wie iets weet van de middeleeuwse traditie voor hem, weet dat de meeste van zijn theorieën – vooral die over perceptie – uit eerder gebruikte concepten bestaan. Kijkend naar perceptie en verbeelding, is Descartes een soort verkoper van tweedehands auto’s: hij levert niet echt iets nieuws. Dat is wat ik probeer uit te leggen in mijn boek. En de debatten die daarop volgen zijn debatten die al in de Middeleeuwen hadden plaatsgevonden, maar dan rommeliger.’

Oké, dus u onderzoekt het filosofische probleem van perceptie en verbeelding van Aquino tot Descartes; wat is precies het probleem?

‘Goed. Het is als volgt: wat gebeurt er in je hoofd als je iets ziet in je omgeving? Neem deze stoel, bijvoorbeeld. Als je deze stoel ziet, wat gebeurt er dan in je hoofd?

Eén antwoord is dat je een soort voorstelling maakt van de stoel. Je begint een mentaal plaatje voor jezelf te maken van het ding voor je en je noemt het ´stoel´. Als je dat plaatje eenmaal hebt, kun je inzoomen op welk deel je wilt; de kleur, de functie, wat dan ook. Dat is een algemene manier om te denken over verbeelding, wat eigenlijk vrij intuïtief lijkt.

Maar er is een probleem: als het zo werkt – als we de omgeving op deze manier cognitief benaderen – dan betekent dat dat er een soort scherm is tussen ons en de realiteit. Een sluier van perceptie, zo je wilt. Dus waar we aan denken is niet de stoel zelf, maar de afbeelding die we hebben gemaakt van de stoel.

Maar dat kan niet kloppen, toch? Want ik wil niet iets leren over een mentaal plaatje. Ik wil iets leren over de stoel. Ik wil wat weten over de realiteit. En welke garantie heb ik überhaupt dat die afbeelding betrouwbaar is? Het antwoord: geen. Er is geen reden om aan te nemen dat je kunt vertrouwen op het plaatje in je hoofd van hoe de wereld is. Dat is een groot probleem.

Bijvoorbeeld, als je zegt: ‘Peter is kaal’, dan heb je het eigenlijk niet over Peter. Je hebt het over jouw afbeelding van Peter.’

Je zegt dus dat we ons niet verbinden met de stoel, maar met een afbeelding van de stoel. Maar dan nog: ik zit op de stoel, voor zover ik weet. Dus: nou en? Waarom zou ik me moeten bezighouden met deze puzzel?

‘Er zijn momenten dat deze puzzel concreet wordt. Als je het oneens bent met iemand, kun je het eigenlijk alleen oneens zijn wanneer het je over hetzelfde hebt. Onenigheid wordt niet productief – of erger: niet interessant – als je merkt dat je het eigenlijk allebei over iets anders hebt.

Dat voelt gewoon niet goed. We denken juist dat we een oprecht meningsverschil hebben over dezelfde dingen. Dus zouden we eenzelfde theorie moeten hebben over cognitie, dat recht doet aan hoe we over onszelf denken, toch?

En je wilt het over een bepaald domein kunnen hebben dat niet alleen toegankelijk is voor jezelf, maar ook voor degene waar je mee praat. Een stoel is toegankelijk voor ons allebei, maar mijn idee van een stoel is alleen voor mij toegankelijk.’

Dat voelt zo eenzaam! Heeft iemand hier een oplossing voor?

‘Het is eenzaam! En niemand heeft een pasklare oplossing. Ik denk niet dat het een probleem is dat valt op te lossen. We moeten zien te leven met de sceptische consequenties. Zelfs als we verbeelding afzweren, zal elke mogelijk plausibele uitleg van hoe onze hersenen werken, moeten onderkennen dat we het soms bij het verkeerde eind hebben.

In mijn boek, is de deugd van de criticasters van verbeelding niet dat ze een oplossing presenteren, maar dat ze nieuwe manieren aanzwengelen om erover na te denken. Beeldspraak is metaforisch; het is poëtisch. De metafoor van het mentale beeld voelt ook heel natuurlijk – het voelt goed. Maar het duwt je in de richting van verbeelding en dan loop je tegen grote problemen aan. Filosofen wrikken aan dat idee; ze zetten vraagtekens bij de metaforen waar we mee leven en geven ons een manier om eraan te ontsnappen.’

Dat klinkt als een belangrijke vaardigheid. Zou elke student aan filosofie moeten doen?

‘Ja! Want zelfs in de wetenschap, kan de taal erg metaforisch worden. Maar metaforen komen niet alleen. Ze komen met allerlei onderliggende aannames. We spreken onze aannames normaal gesproken niet uit. Wat het voordeel is van een metafoor: je kunt alles verpakken in een mooi, krachtig plaatje.

Wat filosofie zo mooi doet, is het onthullen van dat plaatje en je duidelijk laten zien: misschien vind je dit toch niet zo mooi als je dacht, ondanks die mooie verbeelding.

Als je eenmaal de intellectuele gewoonte hebt om dingen te onthullen, dan maakt het eigenlijk niet uit waar je het over hebt: cognitie, perceptie, morele dilemma’s, wat dan ook. Het maakt allemaal gebruik van dezelfde technieken, dezelfde soort vaardigheden.’

English

19 December 2018 | 19-12-2018, 15:19