Herinneringen

Foto Reyer Boxem

Herinneringen

Hij had wat huwelijkse aansporing nodig, maar columnist Gerrit Breeuwsma stond afgelopen weekeinde sinds lange tijd dan toch op het ijs. En hij zag dat het goed was – zeker in coronatijd.
Door Gerrit Breeuwsma
16 februari om 10:13 uur.
Laatst gewijzigd op 16 februari 2021
om 10:13 uur.
februari 16 at 10:13 AM.
Last modified on februari 16, 2021
at 10:13 AM.

Terwijl de regen tegen de ramen slaat, de veranda spekglad is en het ijs van het Slochterdiep, waar ik op uit kijk, steeds grauwer van kleur wordt, probeer ik mij op maandagochtend weer te voegen naar het ‘ouwe nieuwe normaal’: het normaal van voor de ijspret. U weet wel, dat van coronamaatregelen, lockdown en thuiswerken.

Aanvankelijk was ik niet van plan me te laten besmetten door de schaatskoorts. Ik had het druk en de ervaring heeft wel geleerd dat het ijs zelden zo diep gevroren is als het wordt opgediend. Daarbij was het door gebrek aan natuurijs al jaren niet meer van schaatsen gekomen. Ik was eerlijk gezegd bang het verleerd te zijn.

Maar ja, de temperaturen daalden en de koorts steeg, al leek de collectieve hysterie die zich van ons meester maakte mij meer iets voor de GGZ dan voor het KNMI.

Het heeft dan ook iets geforceerds, zoals in de media bij de eerste nachtvorst oud-schaatsers uit het vet worden gehaald, ijsmeesters (veelal mannen uit de risicogroep, viel me op) een heldenstatus krijgen en de onvermijdelijke professor Herman Pleij alles in een historisch perspectief mag zetten.

Die man weet van een scheet nog een oer-hollandse traditie te maken. Hij draait er dus zijn hand niet voor om ons op de mouw te spelden dat de vroegste sporen van een koek-en-zopiekraam reeds ver voor de Romeinen in de buurt van Bolsward zijn aangetroffen of dat Bonifatius op de Dokkumer Ee werd vermoord toen hij een kleine kopgroep van schaatsers, die de eindstreep en mogelijk de overwinning in het verschiet zagen, op het ijs staande hield om hen te zegenen.

Het Elfstedenkruisje is een in- en inkatholiek symbool.

Er werd hier en daar ook een voorschot op de toekomst genomen, met de voorspelling dat we ons deze strenge winter in coronatijd later zouden heugen. Een beetje zoals reisbureaus tegenwoordig hun trips aanprijzen: we make memories. Herinneringen als hebbedingetje.

Als ik niet had kunnen schaatsen, was ik resoluut als verwekker van onze toekomstige kinderen afgewezen

Maar toen het bleef vriezen, begon mijn vrouw steeds vaker over alle mooie herinneringen die wij aan onze ijsdagen bewaren. De eerste maanden van 1994, toen we nog maar net ‘iets’ hadden en dat het liefst voor onszelf hielden. We stonden dagen achtereen op het ijs (als ik niet had kunnen schaatsen, was ik vrees ik resoluut als verwekker van onze toekomstige kinderen afgewezen).

De winter van 1997, het jaar van de laatste Elfstedentocht, toen we over de Friese meren scheerden en we ons bij Stavoren op de foto lieten zetten. De schaatser die ons wel even van dienst wilde zijn, zei toen hij afdrukte ironisch: ‘Toen alles nog goed was.’

Ik had nog maar kort op het ijs gestaan, toen we zaterdag besloten de volgende dag naar Friesland te gaan, voor een lange schaatsdag. Niet te laat naar bed, de wekker op zeven uur, maar ruim daarvoor al wakker. Zondag stonden we om negen uur in Heeg op het ijs, het meer over, afslaan naar Woudsend en dan over het Slotermeer naar Sloten.

Eerst nog wat onwennig, maar al gauw ging het weer als vanouds, over slechte, maar ook over mooie stukken ijs, en gaandeweg begon het te dagen dat we dit lichtpuntje in tijden van corona niet snel zouden vergeten. Wel vergaten we een foto te maken. In de auto op weg naar huis concludeerden we echter dat alles nog goed was.

Maar nu is het maandag en moet ik de draad weer zien op te pakken: met zere voeten, stramme spieren, blauwe plekken (van een lelijke val) en een geschramde wenkbrauw (idem).

Dat vertellen ze er niet bij. Maar het is zwaar werk, herinneringen maken.