Herfst

Herfst

Het is weer voorbij die mooie zomer, mijmert columnist Gerrit Breeuwsma terwijl hij uitbundig en met een brok in de keel ‘Aan de Amsterdamse grachten’ zingt.
Door Gerrit Breeuwsma

Misschien is het de herfst, maar medewerkers ontvallen ons als bladeren aan de bomen. Zo was ik onlangs twee keer op een afscheidssymposium van gewaardeerde collega’s. Ik studeerde nog toen zij hun eerste aanstelling kregen en dat wilde ik ook wel, maar ze waren me een slag voor. Dat is daarna altijd zo gebleven.

Het enige wat ik eigenlijk altijd op ze voor had, was het niet te ontkennen feit dat ik jonger was. Ik betrap mezelf er wel vaker op dat ik graag de illusie in stand houd ergens de jongste te zijn; alsof ik op die manier al het goede nog in het verschiet heb.

Maar nu ze met emeritaat zijn, vervalt dat voordeel goedbeschouwd, waardoor het net is alsof ik ineens een stuk ouder ben. Dat besef roept gevoelens van melancholie op, zodat zo’n afscheid toch iets existentieels krijgt.

Maar misschien is het gewoon de herfst.

Van die herfst was trouwens bij het eerste afscheid niet veel te merken. Dat vond plaats bij een mild zonnetje en aangename temperaturen. Gelukkig maar, want toen ik aankwam bij de kerk waar het symposium zou plaatsvinden, moest ik me voegen in een lange rij wachtenden, onder wie ik veel van mijn collega’s herkende.

Het tweede afscheid leek in niets op het eerste. Er was geen zonnetje, maar het regende dat het goot. Er waren geen drommen mensen, er volgden geen toespraken van de directie.

In de zaal telde ik een kleine dertig man – de meesten ruimschoots pensioengerechtigd – waarvan ik niemand kende en onder wie ik geen collega’s zag. Alleen tegen het eind van het symposium kwam de voorzitter van de vakgroep langs voor een praatje en een cadeau.

Er stond een rijk assortiment aan flessen, waaronder enkele fraaie whisky’s en oude jenever, en al gauw zag ik de waterstanden zakken

Ik hoef er natuurlijk niets van te vinden, maar voor iemand die zo’n veertig jaar aan de faculteit verbonden is geweest, vond ik het ergens wel wat karig, al vermoedde ik dat de prille pensionado zelf geen grote ruchtbaarheid aan zijn vertrek had gegeven.

Tijdens de receptie voegde mijn vrouw zich bij me en tot mijn verrassing kende zij vrijwel iedereen van het gezelschap. Er werden hartelijke begroetingen uitgewisseld en zelfs hier en daar gezoend. Toe maar weer.

De collega en mijn vrouw frequenteren op vrijdagavond hetzelfde etablissement en ja, zij kende het gezelschap van overwegend heren op leeftijd van de stadskroeg (zij is ook graag overal de jongste).

Na afloop liet ik me overhalen nog wat na te komen borrelen bij de nieuwbakken emeritus. Nou, borrelen kon het gezelschap. Het was mooi om te zien hoe jarenlange oefening hier zijn vruchten afwierp.

Er stond een rijk assortiment aan flessen op tafel, waaronder enkele fraaie whisky’s en oude jenever, en al gauw zag ik de waterstanden zakken. Ik probeerde aanvankelijk – als een sprinter tijdens een bergetappe – aan te klampen, maar kon al snel het tempo niet bijhouden en wist de limiet maar nipt te halen.

Onder het gezelschap bevond zich een heuse troubadour. Die pakte, toen we al lang alle schroom van ons afgedronken hadden, zijn gitaar en begon aan wat je een tijdloos repertoire zou kunnen noemen, met liederen als Bei mir bistu schein en Les feuilles mortes, dat uitbundig werd meegezongen.

Toen volgde het prachtige Aan de Amsterdamse grachten. Voor ik aan het refrein kon beginnen, moest ik eerst een flinke brok wegslikken, want dat lied ontroert me op een of andere manier altijd enorm.

Toen we naar huis fietsten, regende het nog steeds en al gauw waren we doorweekt. Eindelijk thuis hadden we niet natter kunnen zijn dan wanneer we net uit de Amsterdamse grachten waren gevist.

Ja, het leed geen twijfel: het was volop herfst.

01 October 2019 | 2-10-2019, 11:31