advertentie

 

Commissie: Onderwijskwaliteit bètafaculteit in gevaar

De onderwijsorganisatie van de Faculty of Science and Engineering (FSE) moet grondig op de schop. Staf worstelt met de werkdruk, onvoldoende mandaten en een onduidelijk takenpakket.
Door Christien Boomsma / Foto Egbert de Boer

Het rapport van een speciale commissie die de afgelopen maanden de onderwijsorganisatie van de bètafaculteit onder de loep nam, liegt er niet om. Er bestaat onduidelijkheid over ‘taken, mandaten en verantwoordelijkheden’, concludeert ze. Daarnaast zijn er ‘weinig mogelijkheden tot sturing’ en is er op alle fronten sprake van een te hoge werkdruk. Binnen een aantal opleidingen, zo schijft de commissie, is de situatie zelfs ‘onwerkbaar’ en dat brengt de kwaliteit van het onderwijs in gevaar.

‘We hebben de afgelopen jaren gezien dat het lastiger werd’, reageert decaan Jasper Knoester. ‘Dus daar hebben we ook op gereageerd. Het leek ons beter dat aan een commissie over te laten. Nu kunnen we ermee verder.’

Snelle groei

Een belangrijke oorzaak van de problemen is de snelle groei van de faculteit in de afgelopen jaren. FSE groeide van 3871 studenten in 2010, naar 6390 vorig jaar. De 13 bacheloropleidingen en 26 masters hebben 31 adjunct-opleidingsdirecteuren nodig en talloze commissies.

Niet alleen is het moeilijk mensen te vinden om de taken uit te voeren, de opleidingsdirecteuren worstelen ook nog eens met hun mandaat: de collega’s uit de onderzoeksinstituten willen niet naar hen luisteren. ‘De adjunct-directeuren hebben immers niet een hiërarchische verhouding met de docenten die ze moeten inzetten’, legt Knoester uit. ‘Die die zijn veel meer verbonden met de directeur van hun onderzoeksinstituut.’

De wetenschappelijke staf heeft daarnaast soms de neiging om vast te houden aan zijn ideeën over de inrichting van het onderwijs. ‘En daar wordt dan weer over gediscussieerd’, zegt Knoester.

De commissie, die bestond uit het hoofd van het Educational Support Centre (ESC), de directeuren van de undergraduate en graduate school en externe adviseurs, concludeert daarom dat de organisatie anders moet worden ingericht.

Werkgroep

Nog voor de zomer gaat een werkgroep van start die daarvoor een plan gaat maken. Er moet één groot onderwijsinstituut komen voor alle opleidingen. Onderwijs en onderzoek moeten dichter bij elkaar gebracht worden, ook fysiek. Ten slotte moet duidelijk zijn wat de taken en verantwoordelijkheden van de opleidingsdirecteuren zijn.

Daarbij hoeft niemand te vrezen voor zijn baan, benadrukt Knoester. ‘Waarschijnlijk zal het betekenen dat er meer mensen bij moeten.’

Het nieuwe instituut moet per september 2020 gaan functioneren.

25 June 2019 | 25-6-2019, 19:56
advertentie