Kamer

Foto Reyer Boxem

Kamer

Hij had het zelf niet zien aankomen, maar het is toch echt zo: Gerrit Breeuwsma mist zijn werkkamer. Het liefst zou hij er een camera neerzetten. ‘En daar thuis dan uren naar zitten kijken.’
Door Gerrit Breeuwsma
28 april om 13:58 uur.
Laatst gewijzigd op 28 april 2020
om 19:46 uur.
april 28 at 13:58 PM.
Last modified on april 28, 2020
at 19:46 PM.

Zonder dat ik iets of iemand voor het hoofd wil stoten hoor, maar met bijna anderhalve maand in quarantaine mis ik van mijn werk mijn kamer misschien nog wel het meest. De scheiding die me op 16 maart met de sluiting van de universitaire gebouwen werd opgelegd, was dan ook wel erg onverbiddelijk.

Sinds jaar en dag breng ik er het grootste deel van mijn dagen door en hoewel ik me er veel en graag over van alles en nog wat heb beklaagd (een dag niet geklaagd is een dag niet geleefd), liggen er ook veel momenten van intense tevredenheid en, vooruit maar, zelfs geluk.

Dat gemis is natuurlijk niet wederzijds, dat snap ik ook wel, maar het idee dat mijn kamer deze zware tijden helemaal alleen en ongebruikt in het gebouw aan de Grote Kruisstraat moet zien te doorstaan, gaat me wel aan het hart.

Omdat ik op den duur hopelijk wel weer terug naar mijn werk mag, haast ik me te zeggen dat ik mijn collega’s natuurlijk ook mis. Gesprekjes in het keukentje die ik ontloop, gemeenschappelijke lunches die ik altijd oversla, vergaderingen waar ik een hekel aan heb, ik mis het allemaal, want de wetenschap dat je iets kunt ontlopen, overslaan of er een hekel aan kunt hebben, geeft een enorm gevoel van vrijheid.

En dan de zekerheid dat op het werk de bhv altijd waakt over mijn veiligheid, met de toezegging van mijn favoriete bhv’er dat die me in geval van nood persoonlijk komt redden (ik zou zo graag een keer gered worden; maakt me niet uit waarvan).

Maar goed, met de naaste collega’s heb ik nog allerlei vormen van contact: per telefoon, e-mail en Skype. Maar met mijn kamer: niks! Als ik bel, wordt er niet opgenomen, als ik mail komt die bij mij thuis binnen en skypen gaat ook al niet.

Dat laatste moet trouwens technisch gezien wel mogelijk zijn. Als ze een camera kunnen zetten op een vogelkastje met een broedend valkenpaar, dan zie ik niet in waarom dat met mijn kamer niet zou kunnen. En daar thuis dan uren naar zitten kijken.

De wetenschap dat je iets kunt ontlopen, overslaan of er een hekel aan kunt hebben, geeft een enorm gevoel van vrijheid

Het heeft alleen weinig zin, want het vogeltje (nou ja, ik) is (ben) gevlogen. Overigens zou ik met mijn spanwijdte, vliegend boven het Lauwersmeergebied, voor een regelrechte sensatie zorgen onder vogelaars, maar ik kom helaas heel moeilijk van de grond.

Om de pijn te verzachten probeer ik mijn kamer te visualiseren, zoals hongerige schipbreukelingen op een onbewoond eiland zich een voorstelling van een driegangenmenu maken en er de fijnste wijnen bij verzinnen.

Ik weet dan heel precies voor de geest te halen waar alles staat: de boeken in de kasten, de rommel in mijn la, de post-itbriefjes die ik aan het beeldscherm van mijn computer heb geplakt met allerlei instructies voor handelingen op Nestor die ik steeds weer vergeet, het stof onder mijn bureau dat zich aan de elektriciteitssnoeren heeft gehecht (ik denk wel eens: ik ken mijn kamer beter dan mezelf).

Maar zoals de nooddruftige schipbreukeling zijn honger niet kan stillen met denkbeeldige maaltijden, zo kom ik met al dat visualiseren niet binnen.

Thuis heb ik alle ruimte om te werken, maar hoewel ik al verschillende vertrekken heb geprobeerd, vind ik er nog niet echt een werkkamer die me als gegoten zit.

En voor zover dat een argument is: mijn werk heeft er ook nog onder te lijden, dus bij deze zou ik het college van bestuur willen vragen de openstelling van de gebouwen te (her)overwegen. Of om mijn punt anders te formuleren, met de kracht en de wanhoop van een buitengesloten Fred Flintstone: ‘Cisca, open the door!!!’