Nobelprijswinnaressen

Meestal houdt columniste Alex Steenbreker de feminist in haar in slaap met anticonceptiepillen. Maar soms praat de feminist toch. Over Nobelprijswinnaars, bijvoorbeeld.
Door Alex Steenbreker

Afgelopen week werden de nieuwe Nobelprijswinnaars bekendgemaakt. Van de acht winnaars binnen geneeskunde, natuurkunde en scheikunde tezamen waren er twee vrouw. De derde vrouw ooit binnen natuurkunde en de vijfde bij scheikunde.

Een paar jaar geleden was ik in Stockholm in het Nobelmuseum, waar ik wijs probeerde te worden uit de uitleg over alle prijzenswaardige ontdekkingen. Dat er zo weinig winnaressen waren, verbaasde me niet, stoorde me niet en ik dacht er niet bij na.

Vrouwen hebben nog steeds een minder groot aandeel in de exacte hoeken van de wetenschap dan mannen. Van literatuur, vrede en het nakomertje economie, die als een soort Pluto met de andere categorieën mee mag cirkelen, heb ik geen idee. Maar aangezien de Nobelprijs in die eerste categorieën wordt toegekend voor het werk dat onderzoekers verzet hebben, zou het kunnen dat deze onevenwichtige situatie voorlopig min of meer terecht is.

Normaal gesproken houd ik de feminist in mij met anticonceptiepillen in een kunstmatige slaap. Ik ben namelijk al baas in eigen buik en die verantwoordelijkheid vind ik best een grote. Maar soms praat ze in haar slaap en zo ook nu.

Nobelprijswinnaars worden namelijk de rest van hun leven door de wereld bewonderd. Ik volgde ooit een week college van ‘onze eigen’ winnaar. Toen was de prijs nog niet toegekend, dus hij was voor ons gewoon de volgende docent. Na het nieuws reikte zijn voorbeeldfunctie plotseling gigantisch veel verder dan die ene collegezaal op Zernike.

Ik kom niet tekort in de – al dan niet vrouwelijke – rolmodellen in mijn leven, maar een paar maanden geleden adopteerde ik tot mijn eigen verbazing een nieuw iemand. Ik volgde een vak dat een stuk interessanter bleek te zijn dan ik gedacht had. Het werd grotendeels gegeven door een vrouw. Ze was natuurlijk niet mijn eerste docente, maar haar voorgangsters spraken me niet erg aan.

Deze docente was jonger en had een andere stijl. Ze deed belangrijk onderzoek in een richting die ik zelf ook interessant vind en ze was moeder van een jong kind. Die combinatie kan dus blijkbaar, dacht ik een beetje verwonderd. Ook in de eenentwintigste eeuw lijkt moeder worden me zo ingrijpend dat ik me daar maar moeilijk zo’n soort baan bij kan voorstellen.

Ik ga haar niet bij naam noemen hier in de UKrant. Dat zou een lightvariant zijn van wanneer je de naam van je crush op je onderrug zou laten tatoeëren: ook als ze blijken tegen te vallen, blijf je ermee zitten. Maar een naam noemen is ook niet nodig, want het gaat om het idee.

Het idee dat er mensen zijn zoals jijzelf, die dingen doen die je kunt bewonderen. Dat is de waarde van verschillende soorten mensen met een voorbeeldfunctie, met of zonder Nobelprijs.

Het is de luxe van hoop: dat je later een beetje zult zijn zoals zij.

10 October 2018