Cijfers en letters

Bij de masteropleiding geneeskunde werken ze tegenwoordig met letters in plaats van cijfers op het tentamen, las ik vorige week in UKrant. Daar zijn ze niet nieuw mee.
Door Casper Albers

Bij het University College en de bacheloropleiding in Leeuwarden werken ze ook met letters. Er worden wel andere letters gebruikt. Waar beide bacheloropleidingen op zijn Amerikaans de letters A, B, C, D en F gebruiken (want Amerikaans is internationaal en Nederlands niet), krijgen de geneeskundigen een O(nvoldoende), V(oldoende) of G(oed).

De kritiek op de cijfers was dat die een schijnprecisie weergeven: is een 9,3 wel echt beter dan een 9,2? Op zich goede kritiek: zo nauwkeurig is een cijfer doorgaans niet te bepalen.

Stel, je doet een tentamen. Je gaat niet voor de tien. Je hebt twee derde van de stof enorm goed geleerd, en het overige deel niet. Als je geluk hebt, krijg je toevallig lekker veel vragen over het geleerde deel en scoor je goed. Met pech zitten er juist extra vragen over het ongeleerde deel.

Bij een tentamen met 25 vragen is de kans dat je tussen de 6,4 en 7,5 scoort, net zo groot als dat je erbuiten (lager of hoger) scoort. Je hebt dus een enorm brede range. Een veelgenoemde oplossing: meer tentamenvragen! Dat helpt nauwelijks: bij honderd vragen loopt dat interval van 6,7 tot 7,3, niet veel nauwkeuriger dus.

Daarnaast begin je bij een lang tentamen meer te meten of iemand een goed uithoudingsvermogen en grote blaas heeft, dan of iemand goed is in jouw vak. Het klinkt dus logisch om van die cijfers weg te stappen.

Dat is het echter niet. Dat je met een cijfer onnauwkeurig meet, klopt. Maar met een letter meet je net zo goed onnauwkeurig. Je maakt het probleem erger en verstopt je ervoor door er niet naar te kijken.

Dat de in het UKrant-artikel genoemde studente met haar 9,3 een ‘g’ moet krijgen, is duidelijk. Maar wat doe je met de student die een 7,9 scoort? Dat zit net onder de 8, dus een ‘v’, maar het had eigenlijk net zo goed een ‘g’ kunnen zijn. Bij toetsen moet je altijd een enigszins arbitraire grens trekken om onderscheid te maken tussen wie er boven en wie er onder scoort.

Volgens de opleidingscommissie is voor deze wisseling in becijfering gekozen omdat ‘een arts geen onderwijsprofessional is’ die soms een zesje geeft in plaats van een onvoldoende om gedoe te voorkomen. Dat laatste is een raar argument: het gedoe komt omdat je een onvoldoende geeft, niet omdat die onvoldoende, zeg, een 5,0 is.

Maar het eerste argument is nog erger. De opleidingscommissie geeft eigenlijk aan dat de cijfers die geneeskundestudenten krijgen een (te) groot gehalte nattevingerwerk hebben. Ik hoop dat de accreditatiecommissie niet meeleest. Er zijn prima meetinstrumenten te ontwikkelen, zoals uitgebreide toetsmatrijzen, die ook door vakmensen van buiten de onderwijswereld te gebruiken zijn.

Hier bij GMW loopt een aantal experts op dat gebied rond, en de medici zijn van harte uitgenodigd om eens op de koffie te komen.

03 December 2018 | 4-12-2018, 10:57